Ga verder naar de inhoud

KC32/25-0110

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT - GEÏNTERNEERD

De klacht betreft een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing.

(1) Wat betreft de voorlopige maatregel

De klachtencommissie stelt vast dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel door een personeelslid ‘voor de directeur/afwezig tijdens de handtekening’ en niet door een directielid zelf ondertekend werd.
In de Collectieve Brief nr. 124 van 6 september 2013 (p. 14) wordt bepaald dat, wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, ook andere personeelsleden deze beslissing kunnen nemen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur, die dan een beslissing neemt.

Uit een beslissing van de beroepscommissie blijkt echter dat een dergelijke delegatie aan ander personeel in de Basiswet enkel bij bijzondere veiligheidsmaatregelen en niet in het kader van tucht wordt voorzien. Zodoende is het enkel de directeur, zonder uitzondering, die een voorlopige maatregel in het kader van een tuchtprocedure kan opleggen.

Los van de vraag of de directie de inschatting kon maken of in deze zaak überhaupt sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid die een voorlopige maatregel ten aanzien van klager rechtvaardigde, blijkt uit de beschikbare stukken dat de voorlopige maatregel niet werd bevolen door de directie, maar door een ander personeelslid.

De voorlopige maatregel werd dus niet opgelegd volgens de vereisten van artikel 145 van de Basiswet. Om deze redenen is de klacht gegrond.

(2) Wat betreft de tuchtbeslissing

Op de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager, bijgestaan door een advocaat, verklaard dat de medegedetineerde zijn bril kapot heeft geslagen. Klager zou hem gevraagd hebben om deze terug te betalen. De medegedetineerde zou nadien achter hem zijn aangekomen en heeft hem dan aangevallen. Hij vroeg om tabak.

De directie heeft de camerabeelden van op de wandeling laten zien op de tuchtrechtelijke hoorzitting en heeft benadrukt dat klager hem begint te slaan wanneer de medegedetineerde op de grond ligt. De medegedetineerde wordt van achter aangevallen. Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 14 dagen ATV.

- Met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten

In het voorliggend dossier heeft de directie zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie bracht klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. Bovendien werden de camerabeelden op de zitting bekeken.

- Met betrekking tot de kwalificatie

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

- Met betrekking tot de toerekenbaarheid

De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden.

In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, erop wijzend hoe klager vlak na de feiten, bij het binnenkomen van de wandeling, helder en bewust in zijn spreken en handelen was en wijzend op het feit dat klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting een helder verhaal kan vertellen, waaruit blijkt dat hij deze handelingen doelbewust heeft gesteld.

Er worden echter geen documenten of verklaringen toegevoegd of getuigen bevraagd waaruit meer duidelijkheid kon blijken over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. In het RAD wordt enkel vermeld dat klager bij het binnenkomen van de wandeling heeft verklaard dat hij uit het niets aangevallen werd.

Gezien klager geïnterneerd is, is er minstens een vermoeden dat zijn handelen het gevolg is van een (psychiatrische) problematiek. Er wordt echter niet aangehaald met welke psychiatrische problemen klager kampte of wat de gevolgen daarvan konden zijn. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de (psychiatrische) problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.

Aangezien dit echter niet als zodanig terugkwam in het RAD en dus ook niet in de motivering van de tuchtbeslissing, voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten niet aan artikel 144, §6 juncto artikel 8 van de Basiswet.

De klacht is om deze redenen gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op elk spoor ervan uit het tuchtregister van klager te wissen.