KC32/25-0100
Non fondée
Irrecevable
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - EXTERNE RECHTSPOSITIE - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
Klager beklaagt zich over het verzuim om een uitgaansvergunning toe te kennen. De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over beslissingen genomen door de directie op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over de toekenning van een uitgaansvergunning kadert binnen de ‘externe rechtspositie’ van klager en valt daardoor buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 8 mei 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager een personeelslid (blijkens de motivering van de tuchtbeslissing: een zorgmedewerkster) in haar achterwerk knijpt. Wanneer hij hierop wordt aangesproken dat dit niet kan antwoordt hij: “Waarom niet? Voor wat hoort wat.” De feiten deden zich voor vlak nadat hij het personeelslid en een medegedetineerde geholpen had met Just From Cell. Klager bleef nadien indringend kijken en aan de deur staan die het personeelslid door omstandigheden niet helemaal kon dichttrekken maar wel bleef vasthouden. Ter tuchtzitting brengt klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar hetgeen uit het RAD blijkt over de toestand van klager op het moment van de feiten enerzijds en het dagelijks gedrag van klager anderzijds. In verband met het tweede element heeft de klachtencommissie al veelvuldig beslist dat dit niet afdoende is. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Het eerste element, waarbij de directie verwijst naar hetgeen blijkt over klagers geestestoestand uit het RAD, is volgens de klachtencommissie wél afdoende. Uit de beschrijving in het RAD kan volgen de klachtencommissie inderdaad worden afgeleid dat klager helder en bewust was tijdens het plegen van de feiten. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 9 dagen een opsluiting in een strafcel worden opgelegd (artikel 132, 4° Basiswet). Klager kreeg een sanctie van 5 dagen strafcel. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de zwaarwichtigheid van de feiten, redelijk. De klacht is ongegrond.
Klager beklaagt zich over het verzuim om een uitgaansvergunning toe te kennen. De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over beslissingen genomen door de directie op basis van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over de toekenning van een uitgaansvergunning kadert binnen de ‘externe rechtspositie’ van klager en valt daardoor buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 8 mei 2025. Hierin wordt beschreven hoe klager een personeelslid (blijkens de motivering van de tuchtbeslissing: een zorgmedewerkster) in haar achterwerk knijpt. Wanneer hij hierop wordt aangesproken dat dit niet kan antwoordt hij: “Waarom niet? Voor wat hoort wat.” De feiten deden zich voor vlak nadat hij het personeelslid en een medegedetineerde geholpen had met Just From Cell. Klager bleef nadien indringend kijken en aan de deur staan die het personeelslid door omstandigheden niet helemaal kon dichttrekken maar wel bleef vasthouden. Ter tuchtzitting brengt klager geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar hetgeen uit het RAD blijkt over de toestand van klager op het moment van de feiten enerzijds en het dagelijks gedrag van klager anderzijds. In verband met het tweede element heeft de klachtencommissie al veelvuldig beslist dat dit niet afdoende is. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Het eerste element, waarbij de directie verwijst naar hetgeen blijkt over klagers geestestoestand uit het RAD, is volgens de klachtencommissie wél afdoende. Uit de beschrijving in het RAD kan volgen de klachtencommissie inderdaad worden afgeleid dat klager helder en bewust was tijdens het plegen van de feiten. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de toerekenbaarheid van de feiten aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 9 dagen een opsluiting in een strafcel worden opgelegd (artikel 132, 4° Basiswet). Klager kreeg een sanctie van 5 dagen strafcel. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en gelet op de zwaarwichtigheid van de feiten, redelijk. De klacht is ongegrond.