TUCHT - BEWIJS - RECHTEN VAN VERDEDIGING - MEERPERSOONSCEL - VERBODEN SUBSTANTIES
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 14 oktober 2024, evenals het verhaal van klager, dat door de directeur als ongeloofwaardig werd beoordeeld. Ter tuchtzitting blijft klager met klem ontkennen dat de verboden substantie aan hem toebehoort en wijst een medegedetineerde, die enkele dagen bij hem op cel verbleef, aan als schuldige. Hij stelt erin geluisd te zijn.
Blijkens het verweer van de directeur, evenals de aanvullende informatie die op vraag van de klachtencommissie werd afgeleverd, blijkt dat er nog heel andere elementen aan de beslissing van de directeur ten grondslag lagen, dan deze die erin zijn opgenomen:
- een anonieme mail van 12/10, waarin de vindplaats van de substanties werd opgesomd en
- een overleg tussen de leidinggevenden van de afdeling op 14/10, waarbij de tuchthistorieken, gedragingen op de gemeenschappelijke activiteiten en de contacten van zowel klager als zijn celgenoot ten tijde van de feiten, evenals vorige celgenoten, besproken werden. Uit dit overleg kwam klager als verdachte naar voren.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich aldus op veel meer elementen heeft gebaseerd dan blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing, waardoor er sprake is van schending van artikel 8 Basiswet. Ook werd er niet gemotiveerd waarom klager, en niet zijn huidige celgenoot, als (enige) schuldige werd beschouwd, hoewel hij zich op een meerpersoonscel bevond. Bovendien werden deze elementen niet aan de tegenspraak van klager en zijn advocaat onderworpen, waardoor er ook sprake is van een schending van de rechten van verdediging. Tot slot meent de klachtencommissie dat het gegeven dat uitgerekend een anonieme mail het startpunt was van de celcontrole en de ontdekking van de verboden substanties, hetgeen klager aanbrengt (namelijk dat hij erin geluisd zou zijn), kracht bijzet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 14 oktober 2024, evenals het verhaal van klager, dat door de directeur als ongeloofwaardig werd beoordeeld. Ter tuchtzitting blijft klager met klem ontkennen dat de verboden substantie aan hem toebehoort en wijst een medegedetineerde, die enkele dagen bij hem op cel verbleef, aan als schuldige. Hij stelt erin geluisd te zijn.
Blijkens het verweer van de directeur, evenals de aanvullende informatie die op vraag van de klachtencommissie werd afgeleverd, blijkt dat er nog heel andere elementen aan de beslissing van de directeur ten grondslag lagen, dan deze die erin zijn opgenomen:
- een anonieme mail van 12/10, waarin de vindplaats van de substanties werd opgesomd en
- een overleg tussen de leidinggevenden van de afdeling op 14/10, waarbij de tuchthistorieken, gedragingen op de gemeenschappelijke activiteiten en de contacten van zowel klager als zijn celgenoot ten tijde van de feiten, evenals vorige celgenoten, besproken werden. Uit dit overleg kwam klager als verdachte naar voren.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich aldus op veel meer elementen heeft gebaseerd dan blijkt uit de motivering van de tuchtbeslissing, waardoor er sprake is van schending van artikel 8 Basiswet. Ook werd er niet gemotiveerd waarom klager, en niet zijn huidige celgenoot, als (enige) schuldige werd beschouwd, hoewel hij zich op een meerpersoonscel bevond. Bovendien werden deze elementen niet aan de tegenspraak van klager en zijn advocaat onderworpen, waardoor er ook sprake is van een schending van de rechten van verdediging. Tot slot meent de klachtencommissie dat het gegeven dat uitgerekend een anonieme mail het startpunt was van de celcontrole en de ontdekking van de verboden substanties, hetgeen klager aanbrengt (namelijk dat hij erin geluisd zou zijn), kracht bijzet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.