KC32/24-0219
Non fondée
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING - TELEFONIE
Klager kreeg op 16 oktober 2024 vanaf 14u als voorlopige maatregel een onderbrenging in een beveiligde cel opgelegd op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet). In de motivering verwees de directie naar het bezit van drugs en cash geld. Voorts kreeg klager ook de ontneming van alle voorwerpen, de uitsluiting van alle gemeenschappelijke en individuele activiteiten en de observatie overdag en tijdens de nacht om de 15 minuten opgelegd op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet). De motivering hiervan was identiek aan de bovenstaande motivering. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze motivering, hoewel summier en identiek voor alle maatregelen, voldoende blijkt dat er sprake was van zowel een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid als van een gevaar voor de orde en de veiligheid. De klachtencommissie meent dat uit de beschrijving van de feiten voldoende duidelijk blijkt waarom het aangewezen was om klager de hierboven opgesomde voorlopige maatregelen op te leggen.
De voorlopige maatregel wordt in principe opgelegd in afwachting van een tuchtprocedure. In het voorliggend dossier werd de voorlopige maatregel niet gevolgd door een tuchtbeslissing maar door een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dat er niet werd overgegaan tot de opstart van een tuchtprocedure maar werd geopteerd voor het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel, is volgens de klachtencommissie echter volledig te wijten aan het gedrag dat klager vertoonde eens hij in de beveiligde cel werd ondergebracht. Op het ogenblik van het opleggen van de voorlopige maatregel kon de directie deze ontsporing van het gedrag van klager niet voorspellen. De klachtencommissie acht de voorlopige maatregel dan ook wettelijk en redelijk.
Klager stelt dat hij niet in kennis werd gesteld van de beslissing op basis waarvan hij werd ondergebracht in de beveiligde cel. De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel, die op 16 oktober 2024 een aanvang nam, hem op 17 oktober 2024 om 10u55 ter kennis werd gebracht. Uit het schriftelijk stuk blijkt dat klager echter weigerde te tekenen. Uit de vier RAD’s op datum van 17 oktober 2024 die in het schriftelijk dossier werden toegevoegd blijkt volgens de klachtencommissie duidelijk dat klager zeer bizar en opstandig gedrag vertoonde ten overstaan van het personeel. Volgens de klachtencommissie werd klager aldus wel degelijk in kennis gesteld van de (reden van de) voorlopige maatregel, doch was hij op dat ogenblik in een zodanig geagiteerde toestand dat hij dit niet als zodanig heeft geregistreerd. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg bij beslissing van 17 oktober 2024 een BVM opgelegd. Het ging in feite om de voortzetting van een aantal maatregelen die eerder bij wijze van voorlopige maatregel werden opgelegd. De directie motiveert waarom er volgens haar sprake is van ernstige aanwijzingen van zowel een gevaar voor de orde als de veiligheid. Ze herhaalt daarbij ten eerste de feiten die aanleiding gaven tot de voorlopige maatregel van 16 oktober 2024, maar voegt hieraan ook nog elementen toe inzake het gedrag van klager eens hij zich in de beveiligde cel bevond. De klachtencommissie acht de inschatting dat de toestand van klager een ernstige aanwijzing uitmaakt van zowel een gevaar voor de orde als de veiligheid correct en afdoende gemotiveerd. In het voorliggend dossier worden de maatregelen (onderbrenging in een veiligheidscel, ontnemen van voorwerpen, uitsluiting van activiteiten en observatie overdag en tijdens de nacht) alle vier afzonderlijk, doch op gelijkaardige wijze gemotiveerd door te verwijzen naar de dreigende houding van klager. Voor de uitsluiting van deelname aan activiteiten wordt hier ook nog het vermoeden dat klager onder invloed is aan toegevoegd. Hoewel summier, wordt hiermee op afdoende wijze de noodzaak van elke opgelegde veiligheidsmaatregel toegelicht. De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel wettelijk en redelijk.
Klager stelt ook hier dat hij niet meteen en pas op 20 oktober 2024 in kennis werd gesteld van de bijzondere veiligheidsmaatregel. De klachtencommissie acht hetgeen klager hieromtrent aanvoert in zijn klacht ongeloofwaardig omwille van de volgende redenen. De klachtencommissie stelt vast dat onderaan de beslissing, hoewel het onduidelijk is op welke datum hem deze ter kennisname werd aangeboden, werd genoteerd dat klager niet in staat was om te tekenen. De klachtencommissie verwijst opnieuw naar de RAD’s op datum van 17 oktober 2024 die in het schriftelijk dossier werden toegevoegd, waaruit volgens haar blijkt dat klager op het ogenblik dat de beslissing werd genomen zeer bizar en buitensporig gedrag vertoonde, hetgeen er volgens de klachtencommissie in alle redelijkheid aan zou kunnen doen twijfelen of klager voldoende helder van geest was om de situatie te ervaren zoals ze zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Dat klager een aantal dagen niet gegeten of gedronken heeft en naakt was, was volgens de klachtencommissie in elk geval aan hemzelf te wijten. De klachtencommissie meent dat het gegeven dat hij de eerste dagen niet met zijn advocaat ‘mocht’ bellen eveneens in dit perspectief bekeken moet worden. Hoewel klager het recht heeft om dagelijks zijn advocaat te bellen (artikel 68 Basiswet) blijkt uit geen van de vier RAD’s dat hij hierom gevraagd zou hebben. Klager zijn gedrag tijdens zijn verblijf in de beveiligde cel was zodanig bizar en buitensporig dat hij, net zoals hij niet in staat was om kennis te nemen van de bijzondere veiligheidsmaatregel, volgens de klachtencommissie mogelijks niet in staat was om (te verzoeken om) naar zijn advocaat te bellen. De klachtencommissie meent in elk geval geen schending van artikel 68 Basiswet in hoofde van de directie vast te kunnen stellen. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg op 16 oktober 2024 vanaf 14u als voorlopige maatregel een onderbrenging in een beveiligde cel opgelegd op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet). In de motivering verwees de directie naar het bezit van drugs en cash geld. Voorts kreeg klager ook de ontneming van alle voorwerpen, de uitsluiting van alle gemeenschappelijke en individuele activiteiten en de observatie overdag en tijdens de nacht om de 15 minuten opgelegd op basis van het gevaar voor de orde of de veiligheid (artikel 145, §1, tweede lid Basiswet). De motivering hiervan was identiek aan de bovenstaande motivering. De klachtencommissie is van oordeel dat uit deze motivering, hoewel summier en identiek voor alle maatregelen, voldoende blijkt dat er sprake was van zowel een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid als van een gevaar voor de orde en de veiligheid. De klachtencommissie meent dat uit de beschrijving van de feiten voldoende duidelijk blijkt waarom het aangewezen was om klager de hierboven opgesomde voorlopige maatregelen op te leggen.
De voorlopige maatregel wordt in principe opgelegd in afwachting van een tuchtprocedure. In het voorliggend dossier werd de voorlopige maatregel niet gevolgd door een tuchtbeslissing maar door een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dat er niet werd overgegaan tot de opstart van een tuchtprocedure maar werd geopteerd voor het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel, is volgens de klachtencommissie echter volledig te wijten aan het gedrag dat klager vertoonde eens hij in de beveiligde cel werd ondergebracht. Op het ogenblik van het opleggen van de voorlopige maatregel kon de directie deze ontsporing van het gedrag van klager niet voorspellen. De klachtencommissie acht de voorlopige maatregel dan ook wettelijk en redelijk.
Klager stelt dat hij niet in kennis werd gesteld van de beslissing op basis waarvan hij werd ondergebracht in de beveiligde cel. De klachtencommissie stelt vast dat de voorlopige maatregel, die op 16 oktober 2024 een aanvang nam, hem op 17 oktober 2024 om 10u55 ter kennis werd gebracht. Uit het schriftelijk stuk blijkt dat klager echter weigerde te tekenen. Uit de vier RAD’s op datum van 17 oktober 2024 die in het schriftelijk dossier werden toegevoegd blijkt volgens de klachtencommissie duidelijk dat klager zeer bizar en opstandig gedrag vertoonde ten overstaan van het personeel. Volgens de klachtencommissie werd klager aldus wel degelijk in kennis gesteld van de (reden van de) voorlopige maatregel, doch was hij op dat ogenblik in een zodanig geagiteerde toestand dat hij dit niet als zodanig heeft geregistreerd. De klacht is ongegrond.
Klager kreeg bij beslissing van 17 oktober 2024 een BVM opgelegd. Het ging in feite om de voortzetting van een aantal maatregelen die eerder bij wijze van voorlopige maatregel werden opgelegd. De directie motiveert waarom er volgens haar sprake is van ernstige aanwijzingen van zowel een gevaar voor de orde als de veiligheid. Ze herhaalt daarbij ten eerste de feiten die aanleiding gaven tot de voorlopige maatregel van 16 oktober 2024, maar voegt hieraan ook nog elementen toe inzake het gedrag van klager eens hij zich in de beveiligde cel bevond. De klachtencommissie acht de inschatting dat de toestand van klager een ernstige aanwijzing uitmaakt van zowel een gevaar voor de orde als de veiligheid correct en afdoende gemotiveerd. In het voorliggend dossier worden de maatregelen (onderbrenging in een veiligheidscel, ontnemen van voorwerpen, uitsluiting van activiteiten en observatie overdag en tijdens de nacht) alle vier afzonderlijk, doch op gelijkaardige wijze gemotiveerd door te verwijzen naar de dreigende houding van klager. Voor de uitsluiting van deelname aan activiteiten wordt hier ook nog het vermoeden dat klager onder invloed is aan toegevoegd. Hoewel summier, wordt hiermee op afdoende wijze de noodzaak van elke opgelegde veiligheidsmaatregel toegelicht. De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel wettelijk en redelijk.
Klager stelt ook hier dat hij niet meteen en pas op 20 oktober 2024 in kennis werd gesteld van de bijzondere veiligheidsmaatregel. De klachtencommissie acht hetgeen klager hieromtrent aanvoert in zijn klacht ongeloofwaardig omwille van de volgende redenen. De klachtencommissie stelt vast dat onderaan de beslissing, hoewel het onduidelijk is op welke datum hem deze ter kennisname werd aangeboden, werd genoteerd dat klager niet in staat was om te tekenen. De klachtencommissie verwijst opnieuw naar de RAD’s op datum van 17 oktober 2024 die in het schriftelijk dossier werden toegevoegd, waaruit volgens haar blijkt dat klager op het ogenblik dat de beslissing werd genomen zeer bizar en buitensporig gedrag vertoonde, hetgeen er volgens de klachtencommissie in alle redelijkheid aan zou kunnen doen twijfelen of klager voldoende helder van geest was om de situatie te ervaren zoals ze zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Dat klager een aantal dagen niet gegeten of gedronken heeft en naakt was, was volgens de klachtencommissie in elk geval aan hemzelf te wijten. De klachtencommissie meent dat het gegeven dat hij de eerste dagen niet met zijn advocaat ‘mocht’ bellen eveneens in dit perspectief bekeken moet worden. Hoewel klager het recht heeft om dagelijks zijn advocaat te bellen (artikel 68 Basiswet) blijkt uit geen van de vier RAD’s dat hij hierom gevraagd zou hebben. Klager zijn gedrag tijdens zijn verblijf in de beveiligde cel was zodanig bizar en buitensporig dat hij, net zoals hij niet in staat was om kennis te nemen van de bijzondere veiligheidsmaatregel, volgens de klachtencommissie mogelijks niet in staat was om (te verzoeken om) naar zijn advocaat te bellen. De klachtencommissie meent in elk geval geen schending van artikel 68 Basiswet in hoofde van de directie vast te kunnen stellen. De klacht is ongegrond.