KC32/24-0092
Fondée
Irrecevable
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - TERMIJN - ORDEMAATREGEL - ARBEID - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
Het blijft onduidelijk of er daadwerkelijk sprake was van een ontslagbeslissing. In elk geval werd de klacht tegen deze vermeende beslissing van 26 maart 2024 laattijdig ingediend. Klager beklaagt zich over een ordemaatregel van 26 maart 2024 en stelde zijn klacht pas op 3 april 2024 op. Klager bracht daarbij geen elementen aan die verantwoorden waarom hij zijn klacht laattijdig indiende. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een klacht tegen een voorlopige maatregel behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. In het voorliggend dossier werd er echter geen voorlopige maatregel genomen ten aanzien van klager. Klager beklaagt zich dan ook over een beslissing die niet bestaat. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie acht de inschatting dat de lawaaioverlast die door klager veroorzaakt werd een ernstige aanwijzing van een gevaar voor de orde betreft, correct en afdoende gemotiveerd. De drie maatregelen (ontnemen van voorwerpen, uitsluiting van activiteiten en onderbrenging in de veiligheidscel) worden alle drie afzonderlijk, doch op dezelfde summiere wijze gemotiveerd: "Gelet de lawaaihinder die betrokkene veroorzaakt." Volgens de klachtencommissie wordt hiermee niet voor elke genomen maatregel op afdoende wijze de noodzaak gemotiveerd.
De klachtencommissie wijst met name op de maatregel van het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen. Klager licht in zijn klacht immers toe dat hij op zijn cel al geen metaal of glas mag hebben. Er kon geen RAD van 28 maart 2024 worden voorgelegd zodat de klachtencommissie niet meer informatie heeft over de manier waarop klager de lawaaioverlast veroorzaakte (bv. kloppen op de deur, luid roepen, met voorwerpen tegen de deur slaan). Uit de motivering van de BVM blijkt in elk geval niet dat klager bepaalde voorwerpen gebruikt zou hebben bij het veroorzaken van de lawaaioverlast en dat het daarom noodzakelijk zou zijn deze voorwerpen af te nemen. Het is dan ook onduidelijk op welke manier deze maatregel kan verhinderen dat de bedreiging (lees: lawaaioverlast) zich realiseert. De motivering is in die zin gebrekkig.
Bovendien werd klager reeds op een veiligheidscel geplaatst zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De maatregel van het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen lijkt hier dan ook enigszins mee te overlappen. De klachtencommissie stelt wel vast dat er voor de onderbrenging in een veiligheidscel een mogelijke ‘mildering’ in het vooruitzicht wordt gesteld. Mogelijks wilde de directie het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen alvast voorzien voor het geval dat klager op een reguliere monocel zou worden geplaatst. De klachtencommissie wijst erop dat dergelijke BVM met ‘keuzemogelijkheden’ in principe niet toegelaten is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd (artikel 112 Basiswet). De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet bijgevolg niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel onwettig. De klacht is gegrond. De BVM wordt vernietigd.
Het blijft onduidelijk of er daadwerkelijk sprake was van een ontslagbeslissing. In elk geval werd de klacht tegen deze vermeende beslissing van 26 maart 2024 laattijdig ingediend. Klager beklaagt zich over een ordemaatregel van 26 maart 2024 en stelde zijn klacht pas op 3 april 2024 op. Klager bracht daarbij geen elementen aan die verantwoorden waarom hij zijn klacht laattijdig indiende. De klacht is niet-ontvankelijk.
Een klacht tegen een voorlopige maatregel behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. In het voorliggend dossier werd er echter geen voorlopige maatregel genomen ten aanzien van klager. Klager beklaagt zich dan ook over een beslissing die niet bestaat. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachtencommissie acht de inschatting dat de lawaaioverlast die door klager veroorzaakt werd een ernstige aanwijzing van een gevaar voor de orde betreft, correct en afdoende gemotiveerd. De drie maatregelen (ontnemen van voorwerpen, uitsluiting van activiteiten en onderbrenging in de veiligheidscel) worden alle drie afzonderlijk, doch op dezelfde summiere wijze gemotiveerd: "Gelet de lawaaihinder die betrokkene veroorzaakt." Volgens de klachtencommissie wordt hiermee niet voor elke genomen maatregel op afdoende wijze de noodzaak gemotiveerd.
De klachtencommissie wijst met name op de maatregel van het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen. Klager licht in zijn klacht immers toe dat hij op zijn cel al geen metaal of glas mag hebben. Er kon geen RAD van 28 maart 2024 worden voorgelegd zodat de klachtencommissie niet meer informatie heeft over de manier waarop klager de lawaaioverlast veroorzaakte (bv. kloppen op de deur, luid roepen, met voorwerpen tegen de deur slaan). Uit de motivering van de BVM blijkt in elk geval niet dat klager bepaalde voorwerpen gebruikt zou hebben bij het veroorzaken van de lawaaioverlast en dat het daarom noodzakelijk zou zijn deze voorwerpen af te nemen. Het is dan ook onduidelijk op welke manier deze maatregel kan verhinderen dat de bedreiging (lees: lawaaioverlast) zich realiseert. De motivering is in die zin gebrekkig.
Bovendien werd klager reeds op een veiligheidscel geplaatst zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn. De maatregel van het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen lijkt hier dan ook enigszins mee te overlappen. De klachtencommissie stelt wel vast dat er voor de onderbrenging in een veiligheidscel een mogelijke ‘mildering’ in het vooruitzicht wordt gesteld. Mogelijks wilde de directie het ontnemen of onthouden van scherpe en/of gevaarlijke voorwerpen alvast voorzien voor het geval dat klager op een reguliere monocel zou worden geplaatst. De klachtencommissie wijst erop dat dergelijke BVM met ‘keuzemogelijkheden’ in principe niet toegelaten is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd (artikel 112 Basiswet). De motivering van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet bijgevolg niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel onwettig. De klacht is gegrond. De BVM wordt vernietigd.