KC32/24-0071
Fondée
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - SANCTIE
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de twee RAD’s van 17 maart 2024 en het RAD van 18 maart 2024. Volgens de klachtencommissie voerden klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de rapporten. De directie kon redelijkerwijs besluiten dat de feiten die in de drie RAD’s beschreven worden, bewezen zijn.
De klachtencommissie is het ermee eens dat feiten niet automatisch als bewezen kunnen worden beschouwd op basis van het gegeven dat klager in het verleden gelijkaardige feiten pleegde. Er werden door de directie echter voor beide inbreuken bijkomende (visuele en auditieve) elementen aangehaald, zodat de klachtencommissie de verwijzing naar het tuchtverleden van klager slechts ziet als een bijkomend element dat geenszins doorslaggevend was.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet), het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de eerste drie kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd zijn. De klachtencommissie meent dat de kwalificatie van opzettelijke aantasting van de orde fout is. Uit de motivering van deze inbreuk blijkt dat de directie klager heeft willen sanctioneren omdat hij het menswaardig samenlevingsklimaat verstoorde, met name door te verhinderen dat zijn medegedetineerden konden slapen door ’s nachts muziek te draaien. De feiten dienden gekwalificeerd te worden als het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (artikel 130, 7° Basiswet). De klachtencommissie stelt haar kwalificatie in de plaats.
Klager pleegde vier inbreuken van de eerste categorie. Na de herkwalificatie die de klachtencommissie hierboven uitvoerde, wordt dit hervormd tot drie inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie. Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, ook na herkwalificatie van één inbreuk, wettelijk en redelijk.
De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft de kwalificatie van de feiten als de inbreuk van artikel 129, 5° Basiswet. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de overige inbreuken en de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie.
Klager ontving naar eigen zeggen geen uittreksel uit zijn tuchtregister op het moment dat hij in kennis werd gesteld van de opstart van de tuchtprocedure. Het verweer van de directie sluit hetgeen klager aanvoert niet uit, waardoor de klachtencommissie meent dat het aannemelijk is dat klager inderdaad geen kopie van zijn tuchtregister ontving. De klacht is gegrond.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in de twee RAD’s van 17 maart 2024 en het RAD van 18 maart 2024. Volgens de klachtencommissie voerden klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de rapporten. De directie kon redelijkerwijs besluiten dat de feiten die in de drie RAD’s beschreven worden, bewezen zijn.
De klachtencommissie is het ermee eens dat feiten niet automatisch als bewezen kunnen worden beschouwd op basis van het gegeven dat klager in het verleden gelijkaardige feiten pleegde. Er werden door de directie echter voor beide inbreuken bijkomende (visuele en auditieve) elementen aangehaald, zodat de klachtencommissie de verwijzing naar het tuchtverleden van klager slechts ziet als een bijkomend element dat geenszins doorslaggevend was.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet), het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) en de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de eerste drie kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd zijn. De klachtencommissie meent dat de kwalificatie van opzettelijke aantasting van de orde fout is. Uit de motivering van deze inbreuk blijkt dat de directie klager heeft willen sanctioneren omdat hij het menswaardig samenlevingsklimaat verstoorde, met name door te verhinderen dat zijn medegedetineerden konden slapen door ’s nachts muziek te draaien. De feiten dienden gekwalificeerd te worden als het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort (artikel 130, 7° Basiswet). De klachtencommissie stelt haar kwalificatie in de plaats.
Klager pleegde vier inbreuken van de eerste categorie. Na de herkwalificatie die de klachtencommissie hierboven uitvoerde, wordt dit hervormd tot drie inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie. Klager kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie, ook na herkwalificatie van één inbreuk, wettelijk en redelijk.
De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft de kwalificatie van de feiten als de inbreuk van artikel 129, 5° Basiswet. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de overige inbreuken en de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie.
Klager ontving naar eigen zeggen geen uittreksel uit zijn tuchtregister op het moment dat hij in kennis werd gesteld van de opstart van de tuchtprocedure. Het verweer van de directie sluit hetgeen klager aanvoert niet uit, waardoor de klachtencommissie meent dat het aannemelijk is dat klager inderdaad geen kopie van zijn tuchtregister ontving. De klacht is gegrond.