KC32/23-0206
Fondée
Compensation
KC - Turnhout
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS - SANCTIE - TEGEMOETKOMING
Klager betwist dat de verboden substanties aan hem toebehoren. Hij stelt dat ze aan zijn celgenoot toebehoren en door de spleet tussen het bed en de muur moeten zijn gevallen (hij slaapt op het onderste bed). De directie achtte de feiten toch bewezen op basis van vier elementen:
• De verboden substanties werden bij het bed van klager aangetroffen.
• De tuchthistoriek, namelijk klager werd al eerder betrapt op het bezit van een verboden voorwerp.
• Het gegeven dat klager al lang in de gevangenis verblijft en dus (beter) op de hoogte is van de drugstrafiek (dan zijn celgenoot).
• Het gegeven dat klager in tegenstelling tot wat zijn advocaat beweert zeker niet altijd eerlijk was over de tuchtrechtelijke inbreuken die hij beging.
Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid te buiten door de feiten in verband met de verboden substanties bewezen te achten. De klachtencommissie meent dat de laatste drie argumenten geen direct bewijs uitmaken. Het betreft zeer indirecte elementen, die volgens de klachtencommissie bovendien niet dienstig zijn.
Voor wat betreft het eerder bezit van een 'verboden voorwerp', meent de klachtencommissie dat dit terugslaat op het bezit van een USB stick. De klachtencommissie ziet in het tuchtregister van klager geen aanwijzingen dat hij eerder al gesanctioneerd werd voor het bezit van verboden substanties. Het enige argument dat dienstig kan zijn ter bewijs van de feiten is het gegeven dat de verboden substanties werden aangetroffen bij het bed van betrokkene (volgens het RAD: “op het nachtlicht”). De klachtencommissie meent dat klager echter een tegenindicatie aanvoert die niet van enige geloofwaardigheid ontbloot is door te stellen dat de verboden substantie naar beneden moet zijn gevallen (lees: vanop het bed van zijn celgenoot dat zich boven zijn bed bevindt). De directie beoordeelde deze tegenindicatie schijnbaar niet.
Klager erkende dat hij het poetsgerief dat op zijn cel werd aangetroffen van een diender kreeg. De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze kwalificatie is correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 25 dagen ATV voor één inbreuk van de eerste en één inbreuk van de tweede categorie. Volgens de klachtencommissie kon klager enkel gesanctioneerd worden voor de inbreuk van de tweede categorie, waarvoor hij maximum 15 dagen ATV kon krijgen.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De uitspraak van de klachtencommissie treedt in de plaats van de vernietigde beslissing. Klager wordt enkel gesanctioneerd voor de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet. De tuchtsanctie wordt beperkt tot 15 dagen ATV. Voor de dagen ATV die klager in overschrijding van deze 15 dagen onderging (alvorens de uitvoering van de sanctie werd geschorst), kent de klachtencommissie een extra douchemoment als tegemoetkoming.
Klager betwist dat de verboden substanties aan hem toebehoren. Hij stelt dat ze aan zijn celgenoot toebehoren en door de spleet tussen het bed en de muur moeten zijn gevallen (hij slaapt op het onderste bed). De directie achtte de feiten toch bewezen op basis van vier elementen:
• De verboden substanties werden bij het bed van klager aangetroffen.
• De tuchthistoriek, namelijk klager werd al eerder betrapt op het bezit van een verboden voorwerp.
• Het gegeven dat klager al lang in de gevangenis verblijft en dus (beter) op de hoogte is van de drugstrafiek (dan zijn celgenoot).
• Het gegeven dat klager in tegenstelling tot wat zijn advocaat beweert zeker niet altijd eerlijk was over de tuchtrechtelijke inbreuken die hij beging.
Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid te buiten door de feiten in verband met de verboden substanties bewezen te achten. De klachtencommissie meent dat de laatste drie argumenten geen direct bewijs uitmaken. Het betreft zeer indirecte elementen, die volgens de klachtencommissie bovendien niet dienstig zijn.
Voor wat betreft het eerder bezit van een 'verboden voorwerp', meent de klachtencommissie dat dit terugslaat op het bezit van een USB stick. De klachtencommissie ziet in het tuchtregister van klager geen aanwijzingen dat hij eerder al gesanctioneerd werd voor het bezit van verboden substanties. Het enige argument dat dienstig kan zijn ter bewijs van de feiten is het gegeven dat de verboden substanties werden aangetroffen bij het bed van betrokkene (volgens het RAD: “op het nachtlicht”). De klachtencommissie meent dat klager echter een tegenindicatie aanvoert die niet van enige geloofwaardigheid ontbloot is door te stellen dat de verboden substantie naar beneden moet zijn gevallen (lees: vanop het bed van zijn celgenoot dat zich boven zijn bed bevindt). De directie beoordeelde deze tegenindicatie schijnbaar niet.
Klager erkende dat hij het poetsgerief dat op zijn cel werd aangetroffen van een diender kreeg. De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze kwalificatie is correct en afdoende gemotiveerd.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 25 dagen ATV voor één inbreuk van de eerste en één inbreuk van de tweede categorie. Volgens de klachtencommissie kon klager enkel gesanctioneerd worden voor de inbreuk van de tweede categorie, waarvoor hij maximum 15 dagen ATV kon krijgen.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De uitspraak van de klachtencommissie treedt in de plaats van de vernietigde beslissing. Klager wordt enkel gesanctioneerd voor de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet. De tuchtsanctie wordt beperkt tot 15 dagen ATV. Voor de dagen ATV die klager in overschrijding van deze 15 dagen onderging (alvorens de uitvoering van de sanctie werd geschorst), kent de klachtencommissie een extra douchemoment als tegemoetkoming.