Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0183

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - BEWIJS - MOTIVERING - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID

De mededeling tot opstart van de tuchtprocedure verwijst voor wat betreft de tenlastelegging integraal naar het RAD van 22 september 2023 dat het niet verlaten van de wandeling en het deelnemen aan brandstichting en vernielingen vermeldt.

Met betrekking tot de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet) wordt in de motivering gesteld dat klager stenen wierp in de richting van de ramen van cellen op de B-vleugel. Dit punt wordt op de tuchtzitting expliciet door de directie aangehaald. Wanneer de advocaat ter tuchtzitting opwerpt dat het RAD geen melding maakt van het werpen van een steen, stelt de directrice dat dit valt onder ‘vernielingen’.

De klachtencommissie stelt vast dat het RAD niet zeer gedetailleerd is. Het ware volgens de klachtencommissie uiteraard beter geweest als het door klager gooien van een steen daarin expliciet benoemd was. Toch maakt het gooien van een steen volgens de klachtencommissie inderdaad een opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans goederen of de bedreiging daarmee uit. Hetgeen waarvoor klager uiteindelijk wordt gesanctioneerd viel volgens de klachtencommissie dan ook onder de oorspronkelijke tenlastelegging. Bovendien kregen klager en zijn advocaat ter tuchtzitting afdoende de mogelijkheid om zich op dit punt te verweren. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directeur deze feiten bewezen achtte op basis van de vaststellingen in het RAD evenals haar eigen visuele vaststellingen.

Met betrekking tot het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen (artikel 129, 6° Basiswet) wordt in de motivering gesteld dat ‘een aantal gedetineerden’ bij het affluiten van de avondwandeling te kennen gaven dat ze niet wensten binnen te komen. Er wordt vervolgens gezegd dat klager één van de heren was die de wandeling ‘niet verliet’ wanneer dit werd afgeroepen, doch het is daarbij onvoldoende duidelijk of dit op vrijwillige basis was, dan wel, zoals klager aanvoert, omdat hij niet naar binnen kón. Volgens de klachtencommissie haalt klager ter tuchtzitting immers een geloofwaardige tegenindicatie aan, namelijk dat hij niet naar binnen kón, omdat de deuren gesloten werden naar aanleiding van het gooien van stenen. De directie gaat ter tuchtzitting en in de motivering niet in op deze tegenindicatie. Volgens de klachtencommissie werd dan ook onvoldoende bewezen en gemotiveerd dat klager een collectieve actie voerde. Het is immers niet van enige geloofwaardigheid ontbloot dat hij niet anders kón dan ‘de wandeling niet verlaten’ omwille van de gesloten deuren.

De directie motiveert omstandig waarom ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten. Het element waarbij gesteld wordt dat het dagelijks gedrag en functioneren van klager aantoont dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag is daarbij niet dienstig. De klachtencommissie meent immers dat het verwijzen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie niet strookt met het statuut van internering. Met de overige elementen motiveert de directie wel afdoende waarom ze van oordeel is dat klager op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De motivering inzake de toerekenbaarheid van de feiten voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.

Klager kreeg een tuchtsanctie van 15 dagen ATV effectief en 15 dagen ATV voorwaardelijk voor twee inbreuken van de eerste categorie. Volgens de klachtencommissie kon klager enkel gesanctioneerd worden voor de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). Volgens de klachtencommissie kan de aan klager opgelegde en reeds ondergane sanctie dan ook overeind blijven.

De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 6° Basiswet. De beslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van art. 129, 3° Basiswet, evenals de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie.