VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
Klager kreeg op 22 september 2023 de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en de uitsluiting van alle gemeenschappelijke en individuele activiteiten opgelegd op grond van het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. De klachtencommissie stelt het volgende vast:
1) Een voorlopige maatregel was niet de geschikte beslissing. Ze kan immers enkel worden opgelegd in afwachting van de tuchtprocedure (artikel 145 Basiswet). Hoewel er nadien een tuchtprocedure opgestart werd tegen klager was er op het moment van de aanvang van de voorlopige maatregel (nog) geen concreet (schriftelijk) element voorhanden ten gevolge waarvan men zou kunnen denken dat er ten aanzien van klager een tuchtprocedure zou opgestart worden. Er waren wel al bepaalde vaststellingen gedaan over klager die nog in een RAD moesten neergeschreven worden. Op het moment van het op schrift stellen van de voorlopige maatregel waren die vaststellingen over klager wél al in de vorm van een RAD beschikbaar. Uit niets blijkt echter dat er bij het nemen van de voorlopige maatregel op enigerlei wijze rekening werd gehouden met deze concrete vaststellingen die men over klager heeft gedaan. De klachtencommissie ziet dat er ten aanzien van klager dezelfde generieke maatregel werd genomen die ten aanzien van alle aanwezigen op de wandeling werd genomen.
2) De motivering van de voorlopige maatregel is gebrekkig. De voorlopige maatregel, op identieke wijze geformuleerd, werd opgelegd aan alle aanwezigen op de wandeling. De zinsnede uit de motivering werd niet geïndividualiseerd in hoofde van klager, aangezien enkel in algemene bewoordingen de toestand op de wandeling van vleugel AB werd beschreven. De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat de voorlopige maatregel ten aanzien van klager geen enkele melding maakt van specifieke vaststellingen die op hem betrekking hadden. De klachtencommissie vindt dit des te frappanter, nu de directeur die de voorlopige maatregel (volgens de schriftelijke beslissing althans, zie punt 4) opgelegd heeft in de navolgende tuchtprocedure opwerpt dat ze zélf bepaalde feiten, gepleegd door klager, heeft vastgesteld (zie verder klacht KC32/23-0185).
3) De opgelegde maatregelen zijn niet conform de aangevinkte rechtsgrond. De directie vinkte aan dat ze de voorlopige maatregel oplegde op basis van het aanzetten tot of voeren van collectieve acties waardoor de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht. Op basis van deze rechtsgrond kan de directie enkel overgaan tot het opleggen van de in artikel 112, §1, 4° en 5° Basiswet bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet), zijnde de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (4°) of de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn (5°).
4) De ondertekening voldoet niet aan de vormvereisten. Volgens de klachtencommissie is het op basis van de ondertekening onvoldoende duidelijk of de beslissing daadwerkelijk door een directeur genomen werd. De voorlopige maatregel werd immers om 23.00u opgelegd, maar pas om 00.00u opgesteld. Bovendien bevat ze geen handtekening van de directeur, doch enkel van een personeelslid. Collectieve brief nr. 124 van 6 september 2013 voorziet een specifieke vormvereiste indien de directeur niet aanwezig is in de gevangenis om de beslissing te ondertekenen. De klachtencommissie stelt vast dat deze vormvereiste niet werd nageleefd.
De klacht is gegrond. De voorlopige maatregel wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra wandeling.
Klager kreeg op 22 september 2023 de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en de uitsluiting van alle gemeenschappelijke en individuele activiteiten opgelegd op grond van het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar brengen. De klachtencommissie stelt het volgende vast:
1) Een voorlopige maatregel was niet de geschikte beslissing. Ze kan immers enkel worden opgelegd in afwachting van de tuchtprocedure (artikel 145 Basiswet). Hoewel er nadien een tuchtprocedure opgestart werd tegen klager was er op het moment van de aanvang van de voorlopige maatregel (nog) geen concreet (schriftelijk) element voorhanden ten gevolge waarvan men zou kunnen denken dat er ten aanzien van klager een tuchtprocedure zou opgestart worden. Er waren wel al bepaalde vaststellingen gedaan over klager die nog in een RAD moesten neergeschreven worden. Op het moment van het op schrift stellen van de voorlopige maatregel waren die vaststellingen over klager wél al in de vorm van een RAD beschikbaar. Uit niets blijkt echter dat er bij het nemen van de voorlopige maatregel op enigerlei wijze rekening werd gehouden met deze concrete vaststellingen die men over klager heeft gedaan. De klachtencommissie ziet dat er ten aanzien van klager dezelfde generieke maatregel werd genomen die ten aanzien van alle aanwezigen op de wandeling werd genomen.
2) De motivering van de voorlopige maatregel is gebrekkig. De voorlopige maatregel, op identieke wijze geformuleerd, werd opgelegd aan alle aanwezigen op de wandeling. De zinsnede uit de motivering werd niet geïndividualiseerd in hoofde van klager, aangezien enkel in algemene bewoordingen de toestand op de wandeling van vleugel AB werd beschreven. De klachtencommissie vindt het opmerkelijk dat de voorlopige maatregel ten aanzien van klager geen enkele melding maakt van specifieke vaststellingen die op hem betrekking hadden. De klachtencommissie vindt dit des te frappanter, nu de directeur die de voorlopige maatregel (volgens de schriftelijke beslissing althans, zie punt 4) opgelegd heeft in de navolgende tuchtprocedure opwerpt dat ze zélf bepaalde feiten, gepleegd door klager, heeft vastgesteld (zie verder klacht KC32/23-0185).
3) De opgelegde maatregelen zijn niet conform de aangevinkte rechtsgrond. De directie vinkte aan dat ze de voorlopige maatregel oplegde op basis van het aanzetten tot of voeren van collectieve acties waardoor de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht. Op basis van deze rechtsgrond kan de directie enkel overgaan tot het opleggen van de in artikel 112, §1, 4° en 5° Basiswet bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen (artikel 145 §1, eerste lid Basiswet), zijnde de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (4°) of de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn (5°).
4) De ondertekening voldoet niet aan de vormvereisten. Volgens de klachtencommissie is het op basis van de ondertekening onvoldoende duidelijk of de beslissing daadwerkelijk door een directeur genomen werd. De voorlopige maatregel werd immers om 23.00u opgelegd, maar pas om 00.00u opgesteld. Bovendien bevat ze geen handtekening van de directeur, doch enkel van een personeelslid. Collectieve brief nr. 124 van 6 september 2013 voorziet een specifieke vormvereiste indien de directeur niet aanwezig is in de gevangenis om de beslissing te ondertekenen. De klachtencommissie stelt vast dat deze vormvereiste niet werd nageleefd.
De klacht is gegrond. De voorlopige maatregel wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra wandeling.