FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING
Blijkens de motivering heeft de directie haar beslissing tot fouillering op het lichaam gebaseerd op twee elementen: betrokkene gedroeg zich verdacht gedurende het tafelbezoek en betrokkene reageerde verdacht op de instructie dat hij een onderzoek aan de kledij zou ondergaan. Blijkens het verweer van de directie heeft er nog een derde element meegespeeld: betrokkene zijn naam wordt regelmatig genoemd met betrekking tot drugs.
De klachtencommissie vindt het zeer opmerkelijk dat er geen enkele schriftelijke neerslag is van de vaststellingen omtrent het gedrag van klager kon voorgelegd worden. Het enige document dat in het voorliggend dossier kon worden voorgelegd, betrof een meldingsverslag van 25 juli 2023. Dit document is enkel dienstig ter staving van het element dat betrokkene zijn naam regelmatig wordt genoemd met betrekking tot drugs, het enige element dat énkel in het schriftelijk verweer en niet in de eigenlijke motivering werd opgenomen. Bij gebreke aan enige schriftelijke neerslag kunnen de achterliggende aanwijzingen niet op geloofwaardigheid beoordeeld worden. Volgens de klachtencommissie is er dan ook twijfel over de draagkracht van de motivering. De klachtencommissie vindt het eveneens opmerkelijk dat de directie een andere (eveneens aan de beslissing ten grondslag liggende) reden niét opnam in de motivering, doch enkel in het schriftelijk verweer. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam niet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
Klager voert volgens aan dat men hem geen handdoek overhandigde bij de uitvoering van de fouillering op het lichaam. Aangezien de directie (ondanks herhaalde vraag) geen verweer bood tegen hetgeen klager hierover aanvoert, meent de klachtencommissie dat zijn bewering niet van enige geloofwaardigheid ontbloot is. De klachtencommissie is van oordeel dat de uitvoering van de fouille gebrekkig was in zoverre er geen handdoek werd verstrekt aan klager. Er is sprake van een schending van artikel 108 §3 Basiswet in samenhang gelezen met de procedure zoals opgelegd door bijlage 3 van CB 141. De klacht is gegrond.
Blijkens de motivering heeft de directie haar beslissing tot fouillering op het lichaam gebaseerd op twee elementen: betrokkene gedroeg zich verdacht gedurende het tafelbezoek en betrokkene reageerde verdacht op de instructie dat hij een onderzoek aan de kledij zou ondergaan. Blijkens het verweer van de directie heeft er nog een derde element meegespeeld: betrokkene zijn naam wordt regelmatig genoemd met betrekking tot drugs.
De klachtencommissie vindt het zeer opmerkelijk dat er geen enkele schriftelijke neerslag is van de vaststellingen omtrent het gedrag van klager kon voorgelegd worden. Het enige document dat in het voorliggend dossier kon worden voorgelegd, betrof een meldingsverslag van 25 juli 2023. Dit document is enkel dienstig ter staving van het element dat betrokkene zijn naam regelmatig wordt genoemd met betrekking tot drugs, het enige element dat énkel in het schriftelijk verweer en niet in de eigenlijke motivering werd opgenomen. Bij gebreke aan enige schriftelijke neerslag kunnen de achterliggende aanwijzingen niet op geloofwaardigheid beoordeeld worden. Volgens de klachtencommissie is er dan ook twijfel over de draagkracht van de motivering. De klachtencommissie vindt het eveneens opmerkelijk dat de directie een andere (eveneens aan de beslissing ten grondslag liggende) reden niét opnam in de motivering, doch enkel in het schriftelijk verweer. Volgens de klachtencommissie voldoet de motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam niet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
Klager voert volgens aan dat men hem geen handdoek overhandigde bij de uitvoering van de fouillering op het lichaam. Aangezien de directie (ondanks herhaalde vraag) geen verweer bood tegen hetgeen klager hierover aanvoert, meent de klachtencommissie dat zijn bewering niet van enige geloofwaardigheid ontbloot is. De klachtencommissie is van oordeel dat de uitvoering van de fouille gebrekkig was in zoverre er geen handdoek werd verstrekt aan klager. Er is sprake van een schending van artikel 108 §3 Basiswet in samenhang gelezen met de procedure zoals opgelegd door bijlage 3 van CB 141. De klacht is gegrond.