Ga verder naar de inhoud

KC32/22-0023

Fondée KC - Turnhout Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - KWALIFICATIE INBREUK

De Klachtencommissie vindt het redelijk dat de directeur is voortgegaan op de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 6 maart 2022 en de beschreven feiten gekwalificeerd heeft als zijnde het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° van de Basiswet). Hoewel klager ter tuchtrechtelijke hoorzitting én in zijn klacht volhoudt dat de penitentiaire beambte hetgeen ze geschreven heeft niet kán gezien hebben, was de beoordeling die de directie gemaakt heeft redelijk. De Klachtencommissie stelt immers het volgende vast. De advocaat van klager geeft op de tuchthoorzitting toe dat klager af en toe speed snuift. Klager geeft op de tuchthoorzitting zelf aan dat het mogelijk is dat ze een buisje zagen liggen om te snuiven. Tot slot geeft klager in zijn klacht aan dat hij inderdaad gebruikt had.
De Klachtencommissie vindt het redelijk dat de directeur de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 6 maart 2022 gekwalificeerd heeft als zijnde het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, nu het huishoudelijk reglement (pagina 10) inderdaad verkopen, ruilingen, leningen, schenkingen en andere gelijkaardige handelingen tussen gedetineerden verbiedt en het RAD duidelijk beschrijft hoe klager tot tweemaal toe op zijn verwarming gaat staan om met een ijzeren voorwerp te vissen naar bepaalde voorwerpen, hetgeen erop wijst dat er voorwerpen werden doorgegeven.
Inzake het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort vindt de Klachtencommissie de motivering gebrekkig. Het RAD stelt duidelijk: “Tijdens deze hele situatie roepen (klager) en (medegedetineerde) erg luid waardoor andere gedetineerden wakker worden en reageren door terug te roepen en te schelden. Hij verstoorde de nachtrust op vleugel B.” In de motivering stelt de directie echter enkel “Betrokkene maakt zich schuldig aan dito (naam medegedetineerde) betreffende de lawaaioverlast maar zonder de muziek”. De motivering is gebrekkig op de volgende punten. Er wordt verwezen naar het gedrag van een andere gedetineerde, terwijl de motivering natuurlijk enkel betrekking mag hebben op het gedrag van klager. Er wordt enkel gesproken van “lawaaioverlast”, terwijl de inbreuk lawaaihinder betreft “die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort”. De motivering specificeert niet of en hoe het gedrag van klager het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort, nochtans een wezenlijk bestanddeel van de tuchtinbreuk van artikel 130, 7° van de Basiswet. De Klachtencommissie wees er al meermaals op dat het niet de bedoeling is dat de tuchtbeslissing slechts begrepen kan worden indien ze samengelezen wordt met het RAD. De tuchtbeslissing voldoet voor deze inbreuk dan ook niet aan de vereisten van artikel 144 §6 j° artikel 8 van de Basiswet. De klacht is gegrond.
De Klachtencommissie vindt het onredelijk dat de directeur de materiële vaststellingen zoals beschreven in het RAD van 6 maart 2022 gekwalificeerd heeft als zijnde de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende goederen, nu het RAD noch de tuchtbeslissing specificeert waarvan het lint gemaakt was. Hierdoor kan niet uitgesloten worden dat het lint gemaakt werd van materiaal dat aan klager toebehoorde en dat ook de ijzeren staaf afkomstig was van een roerend goed dat hem toebehoorde. De motivering gaat hier niet nader op in. De tuchtbeslissing voldoet voor deze inbreuk dan ook niet aan de vereisten van artikel 144 §6 j° artikel 8 van de Basiswet. De klacht is gegrond.
De tuchtbeslissing van 9 maart 2022 wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft het deel dat handelt over de inbreuken van artikel 130, 7° (aankruising en motivering) en 130, 3° (motivering) van de Basiswet. De twee overige tuchtinbreuken en de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie blijven overeind. De directeur moet binnen de 7 dagen volgend op de betekening van de beslissing een nieuwe beslissing nemen.