Ga verder naar de inhoud

KC29/23-0044

Fondée Compensation KC - Saint-Gilles Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT

Bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid inzake de tuchtrechtelijke kwalificatie van de feiten dient de directeur in het bijzonder rekening te houden met het vermoeden van onschuld als een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

In die zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “[d]e gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”.

Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp, doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde individueel kan worden toegerekend. Het belang hiervan vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de Basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen (Parl. St. Kamer, 51- 0231/1, 3 in fine en 50-1076/1, 187).

De klachten- en beroepscommissie is bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend door de directie.

Het inrichtingshoofd acht het onwaarschijnlijk dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de verboden substantie en rekent hem dus het bezit ervan toe, omdat “hij daar al meerdere maanden in zit” en omdat de voorgangers geen tuchtrechtelijke antecedenten hebben met betrekking tot drugs.
In het thans voorliggende RAD wordt evenwel slechts vastgesteld dat de verboden substantie verstoppen was, zodat de substantie alleszins niet zichtbaar of eenvoudig toegankelijk was. Thans is dan ook niet zonder meer aangetoond dat klager “op de hoogte was” van de aanwezigheid van de substantie. Er daarom van uitgaan dat klager zelf in bezit was van de verboden substantie is een foute snelkoppeling. Bovendien heeft klager ook een blanco tuchtrechtelijke memo.
Naar het oordeel van de Klachtencommissie is klagers individuele verantwoordelijkheid voor het bezit van een verboden substantie dan ook onvoldoende vast komen te staan. Gelet op het gebrek aan individuele toerekenbaarheid, besluit de Klachtencommissie dat het vermoeden van onschuld geschonden werd

De klacht dient dan ook gegrond te worden verklaard.