KC21/26-0120
Non fondée
Fondée
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
-Wat betreft de voorlopige maatregel:
De directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd, omdat zij van oordeel was dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. De voorlopige maatregel bestond uit de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling en de verplichting om in de toegewezen verblijfsruimte te verblijven.
De interne veiligheid is een toestand, waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Uit het RAD blijkt dat klager, nadat hem een uitnodiging voor een tuchtzitting was overhandigd naar aanleiding van een eerder opgemaakt RAD, onder meer verklaarde: ‘ik breek heel het kot af’ en ‘Den eerste dat aan de cel komt, die maak ik kapot, ik snij zijn keel over!’.
De klachtencommissie is van oordeel dat dergelijke uitlatingen een ernstige aantasting van de interne veiligheid vormen. Door te dreigen geweld te gebruiken tegen personeelsleden komt de fysieke integriteit van personen in het gedrang. Daarnaast houdt de uitspraak ‘ik breek heel het kot af’ een bedreiging in voor roerende en onroerende goederen, die daardoor gevaar lopen op wederrechtelijke beschadiging of vernieling.
De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was.
Gelet op de feiten was het opleggen van ATV ook niet onredelijk of onbillijk, aangezien er een gevaar was voor de interne veiligheid en betrokkene in een open regime verblijft.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
-Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk ‘wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht’.
Deze bepaling benadrukt het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat de directeur eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals hier het geval is. Een geïnterneerde is immers op grond van een beslissing van een rechter - daarin geadviseerd door een forensisch psychiatrisch deskundige - ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij/zij ‘op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast’. Eenmaal tot internering werd beslist, moet de psychische problematiek van de geïnterneerde bovendien voldoende uitgesproken zijn om de vrijheidsberoving te kunnen blijven rechtvaardigen.
Naar aanleiding van uitspraken van verschillende klachtencommissies en beide beroepscommissies omtrent tuchtbeslissingen ten aanzien van geïnterneerden, bezorgde het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen op 2 december 2022 instructies aan de lokale gevangenisdirecties omtrent het tuchtregime van geïnterneerde personen. Deze instructies stellen dat, indien de directeur op basis van alle informatie waarover hij/zij beschikt van oordeel is dat de geïnterneerde verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuken, hij/zij in de tuchtbeslissing motiveert waarom hij/zij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden. Indien de directeur van oordeel is dat die niet over voldoende gegevens beschikt om dit te beoordelen, vraagt de directeur een advies van de PSD-psychiater.
De directie motiveert dat klager tijdens de tuchtzitting zijn visie op een heldere en coherente wijze kon uiteenzetten. Die vaststelling zegt echter niets over de toestand van klager op het moment van de feiten. Ook uit de rapporten aan de directeur blijkt niet dat klager op dat ogenblik toerekeningsvatbaar was.
Er zijn geen documenten, die meer duidelijkheid verschaffen over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuken. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de psychiatrische problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De tuchtbeslissing voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.
De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op elk spoor van de beslissing uit het tuchtregister van klager te wissen en de tenuitvoerlegging van de tuchtsanctie onmiddellijk stop te zetten.
-Wat betreft de voorlopige maatregel:
De directie heeft een voorlopige maatregel opgelegd, omdat zij van oordeel was dat er een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was. De voorlopige maatregel bestond uit de uitsluiting van deelname aan de gemeenschappelijke wandeling en de verplichting om in de toegewezen verblijfsruimte te verblijven.
De interne veiligheid is een toestand, waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.
Uit het RAD blijkt dat klager, nadat hem een uitnodiging voor een tuchtzitting was overhandigd naar aanleiding van een eerder opgemaakt RAD, onder meer verklaarde: ‘ik breek heel het kot af’ en ‘Den eerste dat aan de cel komt, die maak ik kapot, ik snij zijn keel over!’.
De klachtencommissie is van oordeel dat dergelijke uitlatingen een ernstige aantasting van de interne veiligheid vormen. Door te dreigen geweld te gebruiken tegen personeelsleden komt de fysieke integriteit van personen in het gedrang. Daarnaast houdt de uitspraak ‘ik breek heel het kot af’ een bedreiging in voor roerende en onroerende goederen, die daardoor gevaar lopen op wederrechtelijke beschadiging of vernieling.
De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was.
Gelet op de feiten was het opleggen van ATV ook niet onredelijk of onbillijk, aangezien er een gevaar was voor de interne veiligheid en betrokkene in een open regime verblijft.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
-Wat betreft de tuchtbeslissing:
Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie.
De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk ‘wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht’.
Deze bepaling benadrukt het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat de directeur eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals hier het geval is. Een geïnterneerde is immers op grond van een beslissing van een rechter - daarin geadviseerd door een forensisch psychiatrisch deskundige - ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij/zij ‘op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast’. Eenmaal tot internering werd beslist, moet de psychische problematiek van de geïnterneerde bovendien voldoende uitgesproken zijn om de vrijheidsberoving te kunnen blijven rechtvaardigen.
Naar aanleiding van uitspraken van verschillende klachtencommissies en beide beroepscommissies omtrent tuchtbeslissingen ten aanzien van geïnterneerden, bezorgde het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen op 2 december 2022 instructies aan de lokale gevangenisdirecties omtrent het tuchtregime van geïnterneerde personen. Deze instructies stellen dat, indien de directeur op basis van alle informatie waarover hij/zij beschikt van oordeel is dat de geïnterneerde verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuken, hij/zij in de tuchtbeslissing motiveert waarom hij/zij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden. Indien de directeur van oordeel is dat die niet over voldoende gegevens beschikt om dit te beoordelen, vraagt de directeur een advies van de PSD-psychiater.
De directie motiveert dat klager tijdens de tuchtzitting zijn visie op een heldere en coherente wijze kon uiteenzetten. Die vaststelling zegt echter niets over de toestand van klager op het moment van de feiten. Ook uit de rapporten aan de directeur blijkt niet dat klager op dat ogenblik toerekeningsvatbaar was.
Er zijn geen documenten, die meer duidelijkheid verschaffen over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuken. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de psychiatrische problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.
De tuchtbeslissing voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.
De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op elk spoor van de beslissing uit het tuchtregister van klager te wissen en de tenuitvoerlegging van de tuchtsanctie onmiddellijk stop te zetten.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0277