Ga verder naar de inhoud

KC21/26-0115

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

Het tuchtregime uit de Basiswet is ook van toepassing op geïnterneerden, gelet op het uitblijven van een specifieke regelgeving van hun interne rechtspositie.

De Basiswet stelt dat een gedetineerde (in dit geval: geïnterneerde) enkel schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk ‘wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht’.

Deze bepaling benadrukt het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat de directeur eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Met andere woorden moet worden nagegaan of de gedetineerde over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte op het moment van de feiten en of hij/zij er bewust voor gekozen heeft om de feiten te stellen. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals hier het geval is. Een geïnterneerde is immers op grond van een beslissing van een rechter - daarin geadviseerd door een forensisch psychiatrisch deskundige - ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij/zij ‘op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast’. Eenmaal tot internering werd beslist, moet de psychische problematiek van de geïnterneerde bovendien voldoende uitgesproken zijn om de vrijheidsberoving te kunnen blijven rechtvaardigen.

Naar aanleiding van uitspraken van verschillende klachtencommissies en beide beroepscommissies omtrent tuchtbeslissingen ten aanzien van geïnterneerden, bezorgde het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen op 2 december 2022 instructies aan de lokale gevangenisdirecties omtrent het tuchtregime van geïnterneerde personen. Deze instructies stellen dat, indien de directeur op basis van alle informatie waarover hij/zij beschikt van oordeel is dat de geïnterneerde verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuken, hij/zij in de tuchtbeslissing motiveert waarom hij/zij de persoon verantwoordelijk acht voor zijn daden. Indien de directeur van oordeel is dat die niet over voldoende gegevens beschikt om dit te beoordelen, vraagt de directeur een advies van de PSD-psychiater.

De directie motiveert op geen enkele manier waarom de feiten, ondanks het statuut van klager als geïnterneerde, aan klager konden worden toegerekend. Er worden geen documenten of verklaringen toegevoegd, die meer duidelijkheid verschaffen over de toestand van klager op het moment van het plegen van de tuchtrechtelijke inbreuk. Het is dan ook een raadsel hoe de directie heeft geoordeeld dat de psychiatrische problematiek van klager géén impact op zijn gedrag had.

De tuchtbeslissing voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor de klacht gegrond is.

De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing en draagt de directie op elk spoor van de beslissing uit het tuchtregister van klager te wissen en de tenuitvoerlegging van de tuchtsanctie onmiddellijk stop te zetten.

Aangezien de klacht om de hierboven uiteengezette redenen gegrond wordt verklaard, acht de klachtencommissie het niet langer noodzakelijk om in te gaan op het overige door klager aangevoerde argument, met name de hoogte van de opgelegde tuchtsanctie wegens de volgens hem foutieve kwalificatie van de tuchtinbreuk.