KC21/25-0110
Fondée
Irrecevable
KC - Merksplas
Commission des plaintes
Disciplinaire
Pas de décision du directeur
TUCHT - GEÏNTERNEERD - TEGEMOETKOMING - GEEN BESLISSING DIRECTEUR
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van de directie, het feitelijk handelen van een beambte, het feitelijk handelen van een gedetineerde en een beslissing genomen door de psychosociale dienst van de gevangenis (hierna: PSD) in de gevangenis van Merksplas. Klager dient ook een klacht in tegen de gevangenis van Merksplas.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de medegedetineerde: klager schrijft dat hij door een medegedetineerde aangevallen en bedreigd werd. Klager brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem werd genomen. De klacht is om deze reden niet-ontvankelijk.
Over de PSD: klager dient klacht in tegen een beslissing genomen door PSD. Dit betreft geen beslissing die werd genomen door of namens de directie. De klacht van klager valt bijgevolg buiten het toepassingsgebied van het beklagrecht waardoor de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.
Over de gevangenis: klager heeft een klacht ingediend tegen de gevangenis van Merksplas wegens nalatigheid, plichtverzuim en veiligheid binnen de gevangenis. Dit betreft geen beslissing die werd genomen door of namens de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de tuchtbeslissing: de klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager in hoofdzaak verwijst naar de bepalingen van het RAD van 11/06/2025. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit RAD onvoldoende elementen bevat die toelaten om een correct beeld te vormen van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting helder communiceert en adequaat de vragen van de directeur beantwoordt, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan art. 144, § 6 en art. 8 van de Basiswet.
De klacht is bijgevolg gegrond. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, kent de klachtencommissie aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 1 pakje tabak uit het kantine-aanbod.
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van de directie, het feitelijk handelen van een beambte, het feitelijk handelen van een gedetineerde en een beslissing genomen door de psychosociale dienst van de gevangenis (hierna: PSD) in de gevangenis van Merksplas. Klager dient ook een klacht in tegen de gevangenis van Merksplas.
Over het feitelijk handelen van een beambte: de klacht gaat over beweerdelijk feitelijk handelen van een personeelslid dat niet in verbinding kan worden gebracht met een beslissing van de directeur. Uit de klacht blijkt niet dat klager de directie hierover heeft aangesproken en dat zij heeft nagelaten om dit voorval te onderzoeken, waardoor er ook geen sprake is van een verzuim van de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de medegedetineerde: klager schrijft dat hij door een medegedetineerde aangevallen en bedreigd werd. Klager brengt zijn klacht niet in verband met een beslissing die door of namens de directie ten aanzien van hem werd genomen. De klacht is om deze reden niet-ontvankelijk.
Over de PSD: klager dient klacht in tegen een beslissing genomen door PSD. Dit betreft geen beslissing die werd genomen door of namens de directie. De klacht van klager valt bijgevolg buiten het toepassingsgebied van het beklagrecht waardoor de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.
Over de gevangenis: klager heeft een klacht ingediend tegen de gevangenis van Merksplas wegens nalatigheid, plichtverzuim en veiligheid binnen de gevangenis. Dit betreft geen beslissing die werd genomen door of namens de directie. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over de tuchtbeslissing: de klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager in hoofdzaak verwijst naar de bepalingen van het RAD van 11/06/2025. De klachtencommissie is echter van oordeel dat dit RAD onvoldoende elementen bevat die toelaten om een correct beeld te vormen van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting helder communiceert en adequaat de vragen van de directeur beantwoordt, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan art. 144, § 6 en art. 8 van de Basiswet.
De klacht is bijgevolg gegrond. Aangezien de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, kent de klachtencommissie aan klager de volgende tegemoetkoming toe: 1 pakje tabak uit het kantine-aanbod.