TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - KWALIFICATIE INBREUK - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (hierna: RAD) van 05/03/2025 (feiten om 19.30 uur).
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 15 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken: 1) het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager. De klachtencommissie stelt tevens vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt welke bepalingen van het huishoudelijk reglement het precies betreft. Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft voornoemde kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd.
Wat de straftoemeting betreft, is de directie binnen de grenzen van de wet en de redelijkheid en billijkheid gebleven. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.
De tuchtbeslissing werd opgelegd naar aanleiding van de feiten die beschreven worden in het rapport aan de directeur (hierna: RAD) van 05/03/2025 (feiten om 19.30 uur).
Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 15 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de volgende inbreuken: 1) het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en 2) het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Wat betreft de kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” stelt de klachtencommissie vast dat de directie geen melding maakt (noch in haar tuchtbeslissing, noch in haar schriftelijk verweer) van welke voorgeschreven bepalingen geschonden worden door klager. De klachtencommissie stelt tevens vast dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt welke bepalingen van het huishoudelijk reglement het precies betreft. Klager kon onmogelijk de precieze draagwijdte kennen van de ten aanzien van hem genomen tuchtbeslissing voor wat betreft voornoemde kwalificatie “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” daar de bepalingen van het huishoudelijk reglement die volgens de directie geschonden waren niet werden aangeduid. Deze tuchtinbreuk kan dan ook niet worden weerhouden. De klachtencommissie draagt de directie daarom op om de kwalificatie van de tuchtsanctie aan te passen in het tuchtregister van klager.
De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd.
Wat de straftoemeting betreft, is de directie binnen de grenzen van de wet en de redelijkheid en billijkheid gebleven. Om bovenstaande redenen, is de klacht gedeeltelijk gegrond, wat betreft de kwalificatie van de feiten als “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Voor het overige blijft de tuchtsanctie overeind.