Ga verder naar de inhoud

KC21/24-0129

Fondée Compensation KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING - KWALIFICATIE INBREUK

De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in twee RAD’s van 18 september 2024, een RAD van 19 september 2024 en een RAD van 22 september en de erkenning van de daarin opgenomen feiten door klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie stelt vast dat klager niet voor alle feiten werd gesanctioneerd. Slechts een aantal feiten werden woordelijk omschreven in de motivering van de tuchtbeslissing. De klachtencommissie merkt op dat klager ter tuchtzitting ook niet alle in deze RAD’s opgenomen feiten erkende (bv. het verbreken van de zegels betwistte hij). De inleidende zin van de motivering, “Betrokkene betwist de feiten niet.” is dan ook onnauwkeurig. De feiten die door de directie in de motivering van de tuchtbeslissing worden opgesomd en waarvoor klager aldus daadwerkelijk werd gesanctioneerd, erkende hij wel (materiaal op kamer hebben, doorgeven van materiaal aan andere gedetineerden, slaan op het winket). De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie deze feiten bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De eerste kwalificatie is volgens de klachtencommissie niet correct. De feiten van het slaan op het winket dienden gekwalificeerd te worden als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet).De klachtencommissie acht de tweede kwalificatie wel correct.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de uitleg die hij ter tuchtzitting geeft bij de feiten die in de RAD’s worden beschreven. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.
Met een verwijzing naar verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten, ook al gaf hij op dat ogenblik toelichting bij de RAD’s (die wel dateren van het moment van de feiten). Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond.