TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID
Volgens de klachtencommissie haalde klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten op basis hiervan bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten volgens de aankruising ten eerste als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). Aangezien hieromtrent verder niets wordt opgenomen in de motivering, en ook het RAD geen melding maakt van enige beschadiging van goederen, meent de klachtencommissie dat deze aankruising een materiële vergissing betreft. De directie kwalificeerde de feiten vervolgens als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende twee elementen:
(1) Klager kan ter tuchtzitting zelf zijn beweegredenen coherent en helder uitleggen. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Er zijn geen aanwijzingen in het RAD dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was: hij plande doelbewust zijn handelingen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich, door te verwijzen naar het RAD, terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelen” is volgens de klachtencommissie louter een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD in kwestie. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.
Volgens de klachtencommissie haalde klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten op basis hiervan bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten volgens de aankruising ten eerste als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). Aangezien hieromtrent verder niets wordt opgenomen in de motivering, en ook het RAD geen melding maakt van enige beschadiging van goederen, meent de klachtencommissie dat deze aankruising een materiële vergissing betreft. De directie kwalificeerde de feiten vervolgens als het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende twee elementen:
(1) Klager kan ter tuchtzitting zelf zijn beweegredenen coherent en helder uitleggen. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Er zijn geen aanwijzingen in het RAD dat klager op het moment van de feiten ontoerekenbaar was: hij plande doelbewust zijn handelingen. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich, door te verwijzen naar het RAD, terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het RAD dient dan ook geen aanwijzingen in die zin te bevatten, aangezien de ontoerekenbaarheid verondersteld wordt. Het komt net aan de directie toe om te motiveren waarom ze de specifieke feiten wél toerekenbaar acht. De toevoeging “hij plande doelbewust zijn handelen” is volgens de klachtencommissie louter een stijlclausule die op generlei wijze gestaafd wordt door het RAD in kwestie. Dit element is dan ook niet afdoende. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.