Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0150

Non fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - MOTIVERING - UITVOERING - DWANG - PROPORTIONALITEIT

Klager beklaagt zich over een beslissing tot fouillering op het lichaam. Volgens de klachtencommissie haalt de directie individuele aanwijzingen aan en motiveert ze waarom het onderzoek aan de kledij niet volstond. Gelet op de plaats waar betrokkene het bewijsmateriaal probeerde weg te steken (zitvlak), acht de klachtencommissie het inderdaad terecht dat een fouillering op het lichaam noodzakelijk werd geacht. Een gewoon onderzoek aan de kledij kon voorwerpen verstopt in de onderbroek van klager immers niet aan het licht brengen. De klachtencommissie acht de motivering van de beslissing tot fouille op het lichaam afdoende. De klacht is ongegrond.

Klager beklaagt zich over de uitvoering van de fouillering op het lichaam. Klager voert aan dat hij volledig in zijn blootje stond. Hij licht de precieze oorzaak hiervan niet toe (bv. niet ontvangen van een handdoek). De klachtencommissie oordeelt dat het feit dat klager volledig ontbloot was, aan hemzelf te wijten was, doordat hij op eigen initiatief naakt begon rond te lopen en daarbij geen gebruik maakte van de verstrekte handdoek. Er is voor wat betreft dit aspect geen sprake van een onwettige uitvoering. Klager voert aan dat de fouillering op het lichaam met veel geweld plaatsvond. Men zou daarbij zijn hand gebroken hebben. De klachtencommissie oordeelt dat er, gelet op het feit dat men klager bewijsmateriaal zag wegmoffelen en hij zich weerspannig opstelde, bovendien bijkomend sprake was van een noodzaak om over te gaan tot maatregelen van rechtstreekse dwang (art. 119 §1 Basiswet) om deze fouillering op het lichaam af te dwingen. De klachtencommissie oordeelt dat de aangewende maatregelen (polsklem en fixatie van schouder), op zichzelf niet disproportioneel zijn (art. 120 Basiswet). De klachtencommissie sluit niet uit dat de verwonding van klager zou kunnen kaderen in de aanwending van de maatregelen van rechtstreekse dwang. De klachtencommissie meent in het voorliggend dossier echter te kunnen concluderen dat dit veelal het gevolg is van het handelen van klager zelf (weerspannigheid). Klager noch zijn advocaat maken aannemelijk dat dit het gevolg is van disproportioneel handelen door het personeel bij de uitvoering van de fouillering. Tot slot werd de maatregel correct geregistreerd in het daartoe bestemde bijzonder register (art. 121 Basiswet). De klachtencommissie acht de uitvoering van de fouillering niet onwettig of onredelijk. De klacht is ongegrond.