Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0103

Non fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (bij zich dragen van geruilde pakjes tabak) bewezen achtte. Klager ontkent deze feiten niet, hij bekende ze namelijk zelf. Hij ziet naar eigen zeggen echter niet in waarom dit een inbreuk zou uitmaken. De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Klager gaf ten tijde van de ontdekking zelf toe dat hij pakjes tabak uitgeleend en geruild heeft. De klachtencommissie acht de kwalificatie dan ook correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag binnen detentie. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde feiten/inbreuken. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht (zoveel als mogelijk) uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. De klachtencommissie houdt er rekening mee dat de feiten later dan dat ze werden gepleegd (het ruilen dateert volgens klager al van enige tijd geleden) werden vastgesteld. Klager werd niet op heterdaad betrapt, doch bekende op het moment van de ontdekking wel dat hij (in het verleden) overging tot ruilen. De beoordeling die de directie maakte sloot dan ook zo goed mogelijk aan bij de beoordeling van de toestand van klager op het moment van de feiten. De conclusie die de directie trok omtrent de toerekenbaarheid van de feiten is redelijk.
De klachtencommissie is niet van oordeel dat er een geestesstoornis ten grondslag lag aan het handelen van klager. Hij handelde in strijd met een regel van het huishoudelijk reglement waarvan hij geacht wordt het bestaan te kennen. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.

Klager kreeg 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.