TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van deze feiten gebaseerd op het RAD van 24 mei 2023 en de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de motivering van de tuchtbeslissing zéér summier is. Ze stelt bovendien de volgende onnauwkeurigheden vast.
- De directie stelt “Betrokkene erkent de inbreuk.” Uit het verslag van de tuchtzitting kan hoogstens vastgesteld worden dat betrokkene de feiten erkent (nl. dat hij wat trager binnenkomt). Hij stelt daar echter ook uitdrukkelijk bij dat hij anderen niet wil ophouden. Er kan dus bezwaarlijk gesteld worden dat betrokkene ook de inbreuk (opzettelijke aantasting van de orde) erkent.
- De directie motiveert niet afdoende waarom de feiten volgens haar de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde uitmaken. De verwijzing naar “onregelmatigheden in zijn functioneren” is zeer vaag, zeker gelet op het gegeven dat deze passage voorafgegaan wordt met een verwijzing naar het fatsoenlijk en beleefd gedrag dat de directie bevestigt ziet in het tuchtregister.
- Op basis van het RAD (met name het gegeven dat klager hier al meermaals op werd aangesproken en aangemaand werd zijn gedrag aan te passen) is de klachtencommissie bovendien van oordeel dat de feiten gekwalificeerd dienden te worden als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), een inbreuk van de tweede categorie.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Er wordt geen tegemoetkoming toegekend aan klager aangezien het slechts een voorwaardelijke sanctie betrof.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van deze feiten gebaseerd op het RAD van 24 mei 2023 en de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte en aan klager toerekende.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de motivering van de tuchtbeslissing zéér summier is. Ze stelt bovendien de volgende onnauwkeurigheden vast.
- De directie stelt “Betrokkene erkent de inbreuk.” Uit het verslag van de tuchtzitting kan hoogstens vastgesteld worden dat betrokkene de feiten erkent (nl. dat hij wat trager binnenkomt). Hij stelt daar echter ook uitdrukkelijk bij dat hij anderen niet wil ophouden. Er kan dus bezwaarlijk gesteld worden dat betrokkene ook de inbreuk (opzettelijke aantasting van de orde) erkent.
- De directie motiveert niet afdoende waarom de feiten volgens haar de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde uitmaken. De verwijzing naar “onregelmatigheden in zijn functioneren” is zeer vaag, zeker gelet op het gegeven dat deze passage voorafgegaan wordt met een verwijzing naar het fatsoenlijk en beleefd gedrag dat de directie bevestigt ziet in het tuchtregister.
- Op basis van het RAD (met name het gegeven dat klager hier al meermaals op werd aangesproken en aangemaand werd zijn gedrag aan te passen) is de klachtencommissie bovendien van oordeel dat de feiten gekwalificeerd dienden te worden als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), een inbreuk van de tweede categorie.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Er wordt geen tegemoetkoming toegekend aan klager aangezien het slechts een voorwaardelijke sanctie betrof.