Ga verder naar de inhoud

KC21/23-0046

Fondée KC - Merksplas Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT - TOEREKENBAARHEID - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING

Klager werd ter tuchtzitting bijgestaan door de pro deo advocaat van dienst en niet door zijn eigen advocaat, die om een uitstel van de zitting had gevraagd. Dit was het gevolg van het feit dat de advocaat laattijdig reageerde op het tegenvoorstel van de directie omtrent een nieuwe zittingsdatum, waardoor de directie het oorspronkelijke zittingsmoment toch liet doorgaan. Klager verzette zich niet tegen de bijstand van de pro deo advocaat. Klager werd in elk geval bijgestaan door een advocaat. Er is dan ook géén sprake van een schending van de rechten van verdediging van klager.

De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (neus aan neus staan met het personeelslid en luid roepen) bewezen achtte.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.

De directie motiveert aan de hand van de volgende elementen waarom ze klager verantwoordelijk achtte voor de hem ten laste gelegde feiten:
(1) De coherente en heldere uitleg ter tuchtzitting. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. De directie verwijst in haar motivering naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting en de afspraken die hij op dat moment voor de toekomst maakte. Hiermee spreekt zij zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten.

(2) Het gegeven dat klager voor rede vatbaar werd toen de PA ter plaatse kwam. De directie leidt hieruit af dat klager zichzelf in de hand heeft. Het gegeven dat klager zodanig explosief reageert op de mededeling dat hij even moet wachten alvorens te kunnen telefoneren, doet volgens de klachtencommissie vragen rijzen omtrent de toerekenbaarheid van deze feiten aan klager. Het gegeven dat klager bij het zien van de PA (terug) voor rede vatbaar wordt, doet volgens de klachtencommissie geen afbreuk aan het feit dat hij enkele minuten voordien totaal disproportioneel uitbarstte (lees: zichzelf niét in de hand had). Artikel 144 §1 in fine Basiswet stelt dat de directeur zich alle nuttige informatie laat bezorgen voor de beoordeling van de zaak. In het voorliggend dossier impliceerde deze verplichting volgens de klachtencommissie dat de directie zich een advies van de arts inzake de toerekenbaarheid moest laten bezorgen, nu hier volgens de klachtencommissie op basis van het verloop van de feiten wel degelijk twijfel over bestaat. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.

De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.