Ga verder naar de inhoud

KC20/25-0038

Fondée KC - Mechelen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID

De klacht betreft een tuchtbeslissing genomen door de directie van de gevangenis van Mechelen. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen, een tuchtinbreuk van tweede categorie. Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige.

In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten vooral gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 26/03/2025. Hierin wordt beschreven welke overtollige spullen op klagers cel werden gevonden. Zowel klager als zijn celgenoot ontkennen dat er spullen zouden zijn bijgekomen sinds de vorige celcontrole. Indien het inderdaad zou gaan om materiaal dat is achtergelaten door een vorige celbewoner, kan het bezit ervan niet worden toegeschreven aan klager, noch aan zijn celgenoot. De klachtencommissie stelt echter wel vast dat beiden na de eerste celcontrole hebben nagelaten hiervan melding te maken, ondanks de duidelijke instructies die hen toen werden meegedeeld. Dit getuigt van een zekere nalatigheid.
Tegelijk wijst de klachtencommissie erop dat het RAD waarop de directie zich baseert enkel dient als bewijs het aanwezig zijn van het overtollig materiaal, doch géén uitsluitsel geeft over aan wie het bezit kan worden toegerekend. Het belang van individuele toerekening vindt nochtans onder andere steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die de correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen moet garanderen. De klachtencommissie meent dan ook dat in casu onvoldoende elementen zijn om de inbreuk individueel bewezen te achten ten aanzien van klager. Hoewel de klachtencommissie ten aanzien van klager en zijn celgenoot wil benadrukken dat van hen een actieve medewerking wordt verwacht in het handhaven van de orde en regelgeving in de inrichting, acht zij de klacht gegrond omwille van bovengenoemde redenen in verband met het gebrek aan individuele toerekenbaarheid.