KC20/24-0115
Non fondée
Irrecevable
KC - Mechelen
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING - UITVOERING - TRANSFER - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID
De klacht handelt over: de beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) van de directie van de gevangenis; een aspect van de uitvoering van deze maatregel, nl. de toewijzing van een bepaalde verblijfsruimte en een overplaatsing.
Wat betreft de bijzondere veiligheidsmaatregel (KC20/24-0114):
Uit de verschillende rapporten opgesteld tussen 23 en 27 september 2024, blijkt dat klager zich geagiteerd en impulsief heeft gedragen. De feiten die aanleiding geven tot de BVM (door de directie in het verslag van de hoorzitting omschreven als “uitschelden en bedreigen medegedetineerde”, “lawaaioverlast”, “negeren bevelen personeel”, “verstoren van de orde” en “vechtpartij op wandeling”), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Artikel 111, §2 bepaalt uitdrukkelijk dat in dat geval enkel een tuchtprocedure moet worden ingesteld. Het is mogelijk dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken. De beslissing tot het opleggen van een BVM moet deze keuze duidelijk motiveren.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing haar keuze voor het opleggen van een BVM – en niet het opstarten van een tuchtprocedure - niet heeft gemotiveerd. Hoewel uit haar motivering een preventief karakter van de maatregelen blijkt, motiveert zij niet op welke manier de BVM aan het gevaar voor de orde of de veiligheid zou verhelpen en waarom er voor deze procedure werd gekozen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiermee artikel 110, alsook haar motiveringsplicht uit artikel 112 en artikel 8 van de Basiswet heeft geschonden. Om deze redenen is de klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bijzondere veiligheidsmaatregel.
Wat betreft de uitvoering bijzondere veiligheidsmaatregel (KC20/24-0115):
De directie kon in het kader van de BVM terecht beslissen dat klager in deze specifieke (mono)cel werd geplaatst.
De klacht is dan ook ongegrond.
Wat betreft de overplaatsing (KC20/24-0115):
Een beslissing tot overplaatsing wordt genomen door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen. Dergelijke beslissing is dus geen beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 van de Basiswet.
De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht handelt over: de beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) van de directie van de gevangenis; een aspect van de uitvoering van deze maatregel, nl. de toewijzing van een bepaalde verblijfsruimte en een overplaatsing.
Wat betreft de bijzondere veiligheidsmaatregel (KC20/24-0114):
Uit de verschillende rapporten opgesteld tussen 23 en 27 september 2024, blijkt dat klager zich geagiteerd en impulsief heeft gedragen. De feiten die aanleiding geven tot de BVM (door de directie in het verslag van de hoorzitting omschreven als “uitschelden en bedreigen medegedetineerde”, “lawaaioverlast”, “negeren bevelen personeel”, “verstoren van de orde” en “vechtpartij op wandeling”), zijn feiten die ook aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure. Artikel 111, §2 bepaalt uitdrukkelijk dat in dat geval enkel een tuchtprocedure moet worden ingesteld. Het is mogelijk dat de directie in een dergelijke situatie een BVM oplegt, wanneer zij enkel tot doel heeft om preventief een gevaar voor de orde of de veiligheid aan te pakken. De beslissing tot het opleggen van een BVM moet deze keuze duidelijk motiveren.
De klachtencommissie is van oordeel dat de directie in haar beslissing haar keuze voor het opleggen van een BVM – en niet het opstarten van een tuchtprocedure - niet heeft gemotiveerd. Hoewel uit haar motivering een preventief karakter van de maatregelen blijkt, motiveert zij niet op welke manier de BVM aan het gevaar voor de orde of de veiligheid zou verhelpen en waarom er voor deze procedure werd gekozen.
De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiermee artikel 110, alsook haar motiveringsplicht uit artikel 112 en artikel 8 van de Basiswet heeft geschonden. Om deze redenen is de klacht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bijzondere veiligheidsmaatregel.
Wat betreft de uitvoering bijzondere veiligheidsmaatregel (KC20/24-0115):
De directie kon in het kader van de BVM terecht beslissen dat klager in deze specifieke (mono)cel werd geplaatst.
De klacht is dan ook ongegrond.
Wat betreft de overplaatsing (KC20/24-0115):
Een beslissing tot overplaatsing wordt genomen door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen. Dergelijke beslissing is dus geen beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 van de Basiswet.
De klacht is niet-ontvankelijk.