KC20/24-0033
Non fondée
KC - Mechelen
Commission des plaintes
Mesure provisoire
VOORLOPIGE MAATREGEL - VERBODEN SUBSTANTIES
De klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel van 10 mei 2024.
Ten aanzien van klager werd een RAD opgesteld, waarin een beambte schrijft dat hij tijdens de wandeling via camerabeelden vaststelde dat klager met een medegedetineerde [X] aan het praten was. Klager draaide zijn rug naar de camera. De beambte zag hem ‘iets’ aannemen van X, waarna klager met zijn rechterhand een beweging naar zijn neus maakte en duidelijk iets opsnoof. Vervolgens zag de beambte hem zijn neus afkuisen met zijn rechterhand. Dit deed hij tijdens de wandeling nog enkele keren.
Ten aanzien van klager werd een voorlopige maatregel genomen tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte en de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten.
De klachtencommissie stelt vast dat klager de - bij de voorlopige maatregelen weerhouden - feiten betwist, terwijl dit niet het geval is bij de daaropvolgende tuchtbeslissing die nochtans op basis van diezelfde feiten werd genomen
De voorlopige maatregelen werden genomen krachtens artikel 145 van de Basiswet (t.t.z. de rechtsgrond) waarnaar de directie - bij het opleggen van de beslissing tot het nemen van voorlopige maatregelen - uitdrukkelijk refereert, evenals naar de feiten dewelke zich op 10 mei 2024 om 14u42 tijdens de wandeling hebben voorgedaan, en die nauwkeurig in het RAD (opgesteld door een PBA) staan beschreven.
Het RAD waarnaar door de directie in de beslissing van 10 mei 2024 wordt verwezen, vermeldt tevens dat - alvorens de feiten werden gepleegd - de klager de camera onder de pergola op de wandeling in het oog hield, en zich vervolgens met zijn rug naar de camera positioneerde om “...iets...” aan te nemen van een andere gedetineerde, en dat hij dit vervolgens duidelijk “...opsnuift...”.
Deze houding van klager onderlijnt (i) zijn bewustzijn over de ernst van de inbreuk, en (ii) het opzet waarmee hij heeft gehandeld.
Bezit en/of handel in of door de wet verboden substanties kan geenszins worden getolereerd, en het is voor eenieder (ook voor de klager) overduidelijk dat dit - in een penitentiaire context - een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid is, en een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt.
Gelet op het bovenstaande oordeelt de klachtencommissie dat de beslissing van 10 mei 2024 tot het nemen van voorlopige maatregelen voldoende met redenen is omkleed.
De voorlopige maatregelen waaronder “verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte”, en “uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten”, zijn als bijzondere veiligheidsmaatregelen cfr. artikel 112 Basiswet toelaatbaar, en kunnen afzonderlijk of in combinatie, door de directie worden opgelegd.
De voorlopige maatregelen hebben - cfr. de beslissing van 10 mei 2024 - op 10 mei 2024 om 14u42 een aanvang genomen, en liepen tot 14 mei 2024 om 15u35 (tijdstip waarop de beslissing tot tuchtsanctie van 13 mei 2024 aan klager werd meegedeeld).
De klacht is ongegrond.
De klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel van 10 mei 2024.
Ten aanzien van klager werd een RAD opgesteld, waarin een beambte schrijft dat hij tijdens de wandeling via camerabeelden vaststelde dat klager met een medegedetineerde [X] aan het praten was. Klager draaide zijn rug naar de camera. De beambte zag hem ‘iets’ aannemen van X, waarna klager met zijn rechterhand een beweging naar zijn neus maakte en duidelijk iets opsnoof. Vervolgens zag de beambte hem zijn neus afkuisen met zijn rechterhand. Dit deed hij tijdens de wandeling nog enkele keren.
Ten aanzien van klager werd een voorlopige maatregel genomen tot een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte en de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten.
De klachtencommissie stelt vast dat klager de - bij de voorlopige maatregelen weerhouden - feiten betwist, terwijl dit niet het geval is bij de daaropvolgende tuchtbeslissing die nochtans op basis van diezelfde feiten werd genomen
De voorlopige maatregelen werden genomen krachtens artikel 145 van de Basiswet (t.t.z. de rechtsgrond) waarnaar de directie - bij het opleggen van de beslissing tot het nemen van voorlopige maatregelen - uitdrukkelijk refereert, evenals naar de feiten dewelke zich op 10 mei 2024 om 14u42 tijdens de wandeling hebben voorgedaan, en die nauwkeurig in het RAD (opgesteld door een PBA) staan beschreven.
Het RAD waarnaar door de directie in de beslissing van 10 mei 2024 wordt verwezen, vermeldt tevens dat - alvorens de feiten werden gepleegd - de klager de camera onder de pergola op de wandeling in het oog hield, en zich vervolgens met zijn rug naar de camera positioneerde om “...iets...” aan te nemen van een andere gedetineerde, en dat hij dit vervolgens duidelijk “...opsnuift...”.
Deze houding van klager onderlijnt (i) zijn bewustzijn over de ernst van de inbreuk, en (ii) het opzet waarmee hij heeft gehandeld.
Bezit en/of handel in of door de wet verboden substanties kan geenszins worden getolereerd, en het is voor eenieder (ook voor de klager) overduidelijk dat dit - in een penitentiaire context - een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid is, en een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt.
Gelet op het bovenstaande oordeelt de klachtencommissie dat de beslissing van 10 mei 2024 tot het nemen van voorlopige maatregelen voldoende met redenen is omkleed.
De voorlopige maatregelen waaronder “verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte”, en “uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten”, zijn als bijzondere veiligheidsmaatregelen cfr. artikel 112 Basiswet toelaatbaar, en kunnen afzonderlijk of in combinatie, door de directie worden opgelegd.
De voorlopige maatregelen hebben - cfr. de beslissing van 10 mei 2024 - op 10 mei 2024 om 14u42 een aanvang genomen, en liepen tot 14 mei 2024 om 15u35 (tijdstip waarop de beslissing tot tuchtsanctie van 13 mei 2024 aan klager werd meegedeeld).
De klacht is ongegrond.