Ga verder naar de inhoud

KC17/26-0039

Fondée KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID


De klacht gaat over een tuchtbeslissing van 22/04/2026 van de directie van de gevangenis van Leuven Hulp.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuk aan klager o.a. verwijst naar het gegeven dat op het moment van de feiten de beambte heeft waargenomen dat er geen aanwijzingen van desoriëntatie, verwardheid of een verstoord realiteitsperceptie bij klager was. De klachtencommissie is van oordeel dat het rapport aan de directeur dit niet vermeldt en onvoldoende elementen bevat dat toelaat een correct beeld van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten te vormen.

Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting er geen elementen werden vastgesteld die wijzen op een gebrek aan realiteitsbesef of oordeelsvermogen, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Ook het gedrag van klager voorafgaand aan de inbreuk zegt niets over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd.

De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikelen 144, §6 juncto 8 van de Basiswet. De klacht is om deze redenen gegrond.