KC17/25-0062
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Autre décision directeur
ORDEMAATREGEL – ARBEID
De klacht van klager betreft een ordemaatregel tot afzetting van werk op 7/10/2025. Klager stelt dat hij werd bedreigd door een medegedetineerde, die hem later tijdens de wandeling ook heeft geslagen.
De directie toont aan dat de ordemaatregel niet op 7/10 werd genomen en acht de klacht dus onontvankelijk. De afzetting van werk gebeurde echter wel op 8/10. De klacht heeft dus betrekking op een beslissing genomen door de directie ten aanzien van klager. Aangezien de klacht op 11/10 werd ingediend, is deze tijdig. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.
De basiswet regelt de bevoegdheid van de directie om arbeid toe te wijzen aan gedetineerden niet nader, waardoor de directeur vrij oordeelt over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of functie. Een beslissing tot ontslag moet echter voldoen aan algemene voorwaarden. Zo moet de directie haar ontslagbeslissing motiveren, de gedetineerde actief informeren en hem horen alvorens de beslissing te nemen.
Uit de bestreden ontslagbeslissing blijkt dat klager werd ontslagen omdat hij ruzie kreeg met een medegedetineerde kort nadat hij opnieuw tewerkgesteld was in het werkhuis. Nadien werd hij op een andere afdeling geplaatst, waar zich opnieuw een discussie met een medegedetineerde voordeed. De directie oordeelde daarom dat klager niet geschikt is om in het werkhuis te werken. Bovendien werd klager gehoord alvorens deze beslissing werd genomen.
De klachtencommissie besluit daarom dat de ordemaatregel regelmatig en gerechtvaardigd is. De klacht is bijgevolg ongegrond en de ontslagbeslissing blijft bestaan.
De klacht van klager betreft een ordemaatregel tot afzetting van werk op 7/10/2025. Klager stelt dat hij werd bedreigd door een medegedetineerde, die hem later tijdens de wandeling ook heeft geslagen.
De directie toont aan dat de ordemaatregel niet op 7/10 werd genomen en acht de klacht dus onontvankelijk. De afzetting van werk gebeurde echter wel op 8/10. De klacht heeft dus betrekking op een beslissing genomen door de directie ten aanzien van klager. Aangezien de klacht op 11/10 werd ingediend, is deze tijdig. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.
De basiswet regelt de bevoegdheid van de directie om arbeid toe te wijzen aan gedetineerden niet nader, waardoor de directeur vrij oordeelt over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of functie. Een beslissing tot ontslag moet echter voldoen aan algemene voorwaarden. Zo moet de directie haar ontslagbeslissing motiveren, de gedetineerde actief informeren en hem horen alvorens de beslissing te nemen.
Uit de bestreden ontslagbeslissing blijkt dat klager werd ontslagen omdat hij ruzie kreeg met een medegedetineerde kort nadat hij opnieuw tewerkgesteld was in het werkhuis. Nadien werd hij op een andere afdeling geplaatst, waar zich opnieuw een discussie met een medegedetineerde voordeed. De directie oordeelde daarom dat klager niet geschikt is om in het werkhuis te werken. Bovendien werd klager gehoord alvorens deze beslissing werd genomen.
De klachtencommissie besluit daarom dat de ordemaatregel regelmatig en gerechtvaardigd is. De klacht is bijgevolg ongegrond en de ontslagbeslissing blijft bestaan.