ONTSLAG - HOORPLICHT
Klager dient klacht in tegen de ordemaatregel ‘afzetting van werk’ omdat hij niet gehoord werd.
Wat betreft de formele hoorplicht alvorens een gedetineerde te ontslaan, verwijst de klachtencommissie naar de rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie hierover. De Nederlandstalige beroepscommissie heeft hierover het volgende geoordeeld:
“Vooraleer toepassing te kunnen maken van de hoorplicht moeten er vooreerst twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn (vaste rechtspraak Raad van State, cf. o.a. RvS 28 april 2008, nr. 182.454):
• Het moet gaan om een ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de bestuurde zwaar aan te tasten;
• De maatregel moet gegrond zijn op een gegeven dat de bestuurde als een tekortkoming wordt aangerekend, het moet m.a.w. gaan om een maatregel die gegrond is op zijn persoonlijke gedrag.
De beroepscommissie is van oordeel dat de ordemaatregel tot afzetting van werk een zeer verregaande en ingrijpende maatregel voor de gedetineerde is waarbij de belangen van de gedetineerde sterk worden aangetast. Een ontslag kan namelijk heel concrete gevolgen hebben, zoals inkomstenderving, gevolgen voor de procedure van de strafuitvoering, het wegvallen van een zinvolle tijdsbesteding, ...”
De klachtencommissie is van oordeel dat in casu voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden voor de hoorplicht, zoals geoordeeld door de Raad van State. De beslissing tot ontslag was een ernstige maatregel die de belangen van de klager zwaar heeft aangetast. Daarnaast is het duidelijk dat de bestreden ontslagbeslissing het gevolg is van een ‘tekortkoming’ van klager, namelijk zijn houding ten aanzien van de externe werkgever in het werkhuis.
De klachtencommissie is van oordeel dat er geen sprake was van een urgente gevaarsituatie of dat het horen van klager alvorens de ontslagbeslissing in casu niet meer nuttig zou zijn geweest. De klachtencommissie oordeelt, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State en de Nederlandstalige beroepscommissie, dat ook in het geval dat er een schriftelijke, gemotiveerde weerslag is voor de ontslagbeslissing, de directie klager had moeten horen alvorens de ontslagbeslissing te nemen, of hem de kans had moeten geven om zijn standpunt te verdedigen. De beslissing is niet genomen met inachtneming van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing en zegt dat de directeur, conform artikel 158, § 4, eerste lid van de Basiswet, de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan moet maken. Indien klager zijn functie in het werkhuis niet onmiddellijk kan hernemen, dient hij bovenaan de wachtlijst geplaatst te worden. Dit betekent daarnaast dat de sociale lening, die door het gedwongen ontslag onmiddellijk werd stopgezet, retroactief dient te worden terugbetaald.
Klager dient klacht in tegen de ordemaatregel ‘afzetting van werk’ omdat hij niet gehoord werd.
Wat betreft de formele hoorplicht alvorens een gedetineerde te ontslaan, verwijst de klachtencommissie naar de rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie hierover. De Nederlandstalige beroepscommissie heeft hierover het volgende geoordeeld:
“Vooraleer toepassing te kunnen maken van de hoorplicht moeten er vooreerst twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn (vaste rechtspraak Raad van State, cf. o.a. RvS 28 april 2008, nr. 182.454):
• Het moet gaan om een ernstige maatregel die van aard is om de belangen van de bestuurde zwaar aan te tasten;
• De maatregel moet gegrond zijn op een gegeven dat de bestuurde als een tekortkoming wordt aangerekend, het moet m.a.w. gaan om een maatregel die gegrond is op zijn persoonlijke gedrag.
De beroepscommissie is van oordeel dat de ordemaatregel tot afzetting van werk een zeer verregaande en ingrijpende maatregel voor de gedetineerde is waarbij de belangen van de gedetineerde sterk worden aangetast. Een ontslag kan namelijk heel concrete gevolgen hebben, zoals inkomstenderving, gevolgen voor de procedure van de strafuitvoering, het wegvallen van een zinvolle tijdsbesteding, ...”
De klachtencommissie is van oordeel dat in casu voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden voor de hoorplicht, zoals geoordeeld door de Raad van State. De beslissing tot ontslag was een ernstige maatregel die de belangen van de klager zwaar heeft aangetast. Daarnaast is het duidelijk dat de bestreden ontslagbeslissing het gevolg is van een ‘tekortkoming’ van klager, namelijk zijn houding ten aanzien van de externe werkgever in het werkhuis.
De klachtencommissie is van oordeel dat er geen sprake was van een urgente gevaarsituatie of dat het horen van klager alvorens de ontslagbeslissing in casu niet meer nuttig zou zijn geweest. De klachtencommissie oordeelt, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State en de Nederlandstalige beroepscommissie, dat ook in het geval dat er een schriftelijke, gemotiveerde weerslag is voor de ontslagbeslissing, de directie klager had moeten horen alvorens de ontslagbeslissing te nemen, of hem de kans had moeten geven om zijn standpunt te verdedigen. De beslissing is niet genomen met inachtneming van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
De klachtencommissie vernietigt de ontslagbeslissing en zegt dat de directeur, conform artikel 158, § 4, eerste lid van de Basiswet, de gevolgen van de vernietigde beslissing ongedaan moet maken. Indien klager zijn functie in het werkhuis niet onmiddellijk kan hernemen, dient hij bovenaan de wachtlijst geplaatst te worden. Dit betekent daarnaast dat de sociale lening, die door het gedwongen ontslag onmiddellijk werd stopgezet, retroactief dient te worden terugbetaald.