KC17/25-0032
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten in eerste instantie gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 10 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe er een plastieken verpakking gevuld met marihuana werd aangetroffen in de trui van klager. Klager erkende de feiten vervolgens ter tuchtzitting van 13 juni 2025. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct.
Wat betreft de motivering wijst de klachtencommissie er op dat de verwijzing naar het huishoudelijk reglement (“In het huishoudelijk reglement staat dat het verboden is om in bezit en gebruiken [sic] van verboden substanties.”) niet alleen overbodig is, maar ook potentieel verwarrend. De feiten vormen immers een tuchtinbreuk op basis van artikel 129, 7° Basiswet. Ze vallen niet onder de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze onnauwkeurigheid is volgens de klachtencommissie echter niet van dien aard om tot de nietigheid van de tuchtbeslissing te leiden.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 14 dagen ATV. De directie motiveert impliciet waarom ze een sanctie noodzakelijk acht (“Drugsbezit of gebruik wordt niet getolereerd. De directie hanteert op dat vlak een beleid op [sic] nultolerantie.”). De klachtencommissie meent dat de aan klager opgelegde sanctie wettelijk én redelijk is. De klachtencommissie verzoekt de directie om voortaan wel duidelijker het aantal dagen ATV te vermelden, evenals het aantal dagen dat hiervan reeds onder de vorm van een voorlopige maatregel werd doorlopen. Het is niet de bedoeling dat klager (of de klachtencommissie) zelf de berekening moet maken. De klacht is ongegrond.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten in eerste instantie gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 10 juni 2025. Hierin wordt beschreven hoe er een plastieken verpakking gevuld met marihuana werd aangetroffen in de trui van klager. Klager erkende de feiten vervolgens ter tuchtzitting van 13 juni 2025. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct.
Wat betreft de motivering wijst de klachtencommissie er op dat de verwijzing naar het huishoudelijk reglement (“In het huishoudelijk reglement staat dat het verboden is om in bezit en gebruiken [sic] van verboden substanties.”) niet alleen overbodig is, maar ook potentieel verwarrend. De feiten vormen immers een tuchtinbreuk op basis van artikel 129, 7° Basiswet. Ze vallen niet onder de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Deze onnauwkeurigheid is volgens de klachtencommissie echter niet van dien aard om tot de nietigheid van de tuchtbeslissing te leiden.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 14 dagen ATV. De directie motiveert impliciet waarom ze een sanctie noodzakelijk acht (“Drugsbezit of gebruik wordt niet getolereerd. De directie hanteert op dat vlak een beleid op [sic] nultolerantie.”). De klachtencommissie meent dat de aan klager opgelegde sanctie wettelijk én redelijk is. De klachtencommissie verzoekt de directie om voortaan wel duidelijker het aantal dagen ATV te vermelden, evenals het aantal dagen dat hiervan reeds onder de vorm van een voorlopige maatregel werd doorlopen. Het is niet de bedoeling dat klager (of de klachtencommissie) zelf de berekening moet maken. De klacht is ongegrond.