KC17/25-0013
Non fondée
KC - Leuven Hulp
Commission des plaintes
Disciplinaire
TUCHT – VERBODEN VOORWERPEN
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Daarin wordt gezegd dat klager een deel van een illegaal pakket heeft gekregen, maar klager betwist dit. Klager heeft gevraagd om de camerabeelden te kunnen zien, maar dit werd door de directie geweigerd. Klager stelt zich vragen bij de zorgvuldigheidsplicht van de directie en verwijst naar eerdere rechtspraak van de klachtencommissie van Leuven Hulp met nummer KC17/25-0030.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en alle betrokkenen, waaronder ook klager, duidelijk geïdentificeerd werden aan de hand van een gedetailleerde beschrijving over de kledij en de schoenen. Bovendien werd het RAD ondertekend door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten.
Klager verwijst naar eerdere rechtspraak van deze klachtencommissie in de zaak KC17/24-0030. De klachtencommissie stelt echter vast dat de onderliggende feiten van het aangehaalde dossier en voorliggend dossier fundamenteel verschillen, in die zin dat klager in voorliggend dossier zelf tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaart dat hij inderdaad op het verhoog tegenover het toezichtslokaal zat, maar dat hij de pakjes niet zou hebben gezien of ontvangen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie nog bijkomend de camerabeelden had moeten bekijken aangezien het RAD voldoende gedetailleerd en duidelijk is. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Daarin wordt gezegd dat klager een deel van een illegaal pakket heeft gekregen, maar klager betwist dit. Klager heeft gevraagd om de camerabeelden te kunnen zien, maar dit werd door de directie geweigerd. Klager stelt zich vragen bij de zorgvuldigheidsplicht van de directie en verwijst naar eerdere rechtspraak van de klachtencommissie van Leuven Hulp met nummer KC17/25-0030.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en alle betrokkenen, waaronder ook klager, duidelijk geïdentificeerd werden aan de hand van een gedetailleerde beschrijving over de kledij en de schoenen. Bovendien werd het RAD ondertekend door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten.
Klager verwijst naar eerdere rechtspraak van deze klachtencommissie in de zaak KC17/24-0030. De klachtencommissie stelt echter vast dat de onderliggende feiten van het aangehaalde dossier en voorliggend dossier fundamenteel verschillen, in die zin dat klager in voorliggend dossier zelf tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaart dat hij inderdaad op het verhoog tegenover het toezichtslokaal zat, maar dat hij de pakjes niet zou hebben gezien of ontvangen. De klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie nog bijkomend de camerabeelden had moeten bekijken aangezien het RAD voldoende gedetailleerd en duidelijk is. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
Om deze redenen is de klacht niet gegrond.