Ga verder naar de inhoud

KC17/24-0048

Non fondée Irrecevable KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - ARBEID - ONTSLAG - ORDEMAATREGEL - BEVOEGDHEID

De klacht is gericht tegen de voorlopige maatregel van 22.11.2024, de tuchtbeslissing van 25.11.2024 en de afzetting van werk van 25.11.2024.

Wat betreft de voorlopige maatregel van 22.11.2024:
Hoewel dit niet duidelijk blijkt uit de schriftelijke beslissing, meent de klachtencommissie dat de directie van oordeel was dat klager de interne veiligheid ernstig en opzettelijk had aangetast (1) door de vechtpartij op de wandeling. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding.

De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd genomen conform de voorwaarden uit de Basiswet, dat de beslissing gerechtvaardigd was omwille van de ernstige fysieke agressie en dat de beslissing tot slot noodzakelijk was om beide betrokkenen uit elkaar te houden teneinde een nieuw conflict te vermijden. Om deze redenen is de klacht tegen de voorlopige maatregel van 22.11.2024 ongegrond.

Wat betreft de tuchtbeslissing van 25.11.2024:
De directeur nam op 23.11.2024 kennis van het RAD en nodigde klager en zijn advocaat uit voor de tuchtrechtelijke hoorzitting op 25.11.2024. De advocaat van klager was niet aanwezig tijdens de zitting. Volgens het verslag van de hoorzitting deed klager afstand van zijn recht op bijstand van een advocaat. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager tegenover de directie hetzelfde relaas heeft gedaan zoals weergegeven in zijn klacht. Klager werd vervolgens tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie.

De klachtencommissie stelt vast dat het RAD eenduidig stelt dat beide gedetineerden aan het vechten waren. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Voor het bestaan van de
tuchtinbreuk is het irrelevant wie de vechtpartij heeft gestart. Dat klager werd aangevallen en enkel reageerde uit verdediging, kan een belangrijk element zijn in de bepaling van de tuchtsanctie. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van tien dagen ATV.

Bijgevolg is glasbezoek het principe tijdens ATV. De directeur kan hiervan afwijken en alsnog de toelating verlenen voor gewoon bezoek, maar is hiertoe niet verplicht. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig. De klachtencommissie stelt aan de hand van de motivering van de tuchtbeslissing vast dat de directie het argument van de zelfverdediging niet heeft aangenomen omdat de verwondingen van de medegedetineerde aantoonden dat het geweld dat klager had gebruikt buiten proportie was. De klachtencommissie treedt dit oordeel van de directie bij. Desalniettemin werd een milde sanctie opgelegd in vergelijking met de ernst van inbreuk. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was. Om deze redenen is de klacht ongegrond.


Wat betreft de afzetting van werk:
De klacht van klager is tenslotte gericht tegen een beweerdelijke ontslagbeslissing (afzetting van werk) van 25.11.2024. Volgens de directie werd klager niet ontslagen maar mag hij niet gaan werken als gevolg van de ATV-sanctie die eindigt op 02.12.2024.

Indien, na afloop van de tuchtsanctie, het werk nog beschikbaar is, herneemt de gedetineerde het werk, behalve wanneer dit inopportuun wordt geacht. In dat geval wordt een schriftelijke ordemaatregel tot afzetting werk genomen, met daarin opgenomen de reden voor de ordemaatregel
die de gedetineerde moet toelaten te begrijpen waarom het werk niet langer als “passend werk” kan worden beschouwd. Indien het werk niet meer beschikbaar is (deze situatie is een onvermijdelijk gevolg van de afwezigheid van de gedetineerde op het werk), wordt de gedetineerde op de wachtlijst geplaatst voor een ander werk.

De klachtencommissie besluit dat klager op 25.11.2024 en de dagen erna niet mocht gaan werken als gevolg van de tuchtbeslissing van 25.11.2024 en niet als gevolg van een beweerdelijke ontslagbeslissing. De klacht tegen de ontslagbeslissing is bijgevolg niet-ontvankelijk.