Ga verder naar de inhoud

KC17/22-0017

Fondée KC - Leuven Hulp Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING

Wanneer een beslissing tot verlenging van een bijzondere veiligheidsmaatregel wordt genomen, moet telkens opnieuw worden geëvalueerd of er ten aanzien van de gedetineerde nog steeds ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde of de veiligheid bestaan.
De motivering van de derde verlenging is een volledige kopie van de motivering van de oorspronkelijke bijzondere veiligheidsmaatregel, uitgezonderd de aanvulling: “Betrokkene geeft aan dat de cipier hem eten gaf, hij heeft niets gevraagd en enkel eten ontvangen. Hij wil een overplaatsing naar een andere gevangenis”.
De directie faalt met deze motivering aan te tonen op welke manier de directie nagegaan is of het gedrag van klager nog altijd een gevaar vormt voor de orde en veiligheid. Klager werd wel opnieuw gehoord maar er kwamen geen nieuwe elementen aan het licht dan bij de eerdere bijzondere veiligheidsmaatregel en de verlenging ervan. Er werd ook niet aangetoond of de bijzondere veiligheidsmaatregel nog steeds noodzakelijk is voor het behoud van de orde en veiligheid, of de bijzondere veiligheidsmaatregel nog steeds in verhouding staat tot de bedreiging en dat de bedreiging van die aard is dat zij zich opnieuw zou realiseren.
De motivering is ook enkel gebaseerd op vermoedens. Dit blijkt duidelijk uit de motivering “we vermoeden dat hij opnieuw andere wegen zal zoeken en vinden om deze praktijken verder te zetten”.
Opvallend is ook dat na deze laatste verlenging de directeur nog steeds wijst op het risico maar dat het nu aan klager is om aan te tonen dat hij zich zal gedragen. De directie zal geen IBVR aanvragen omdat een periode van 4 weken preventie voldoende was.
De klacht is gegrond.