Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0108

Non fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE

Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 27 maart 2026 een tuchtsanctie van 3 dagen ATV voor het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. In zijn pleidooi ter tuchtzitting en in zijn klacht focust klager op het gegeven dat in het RAD geschreven wordt dat zijn wc ‘vol brood’ lag. Klager vindt dit leugenachtig en daardoor een schending van CB 124. Hij stelt maar één sneetje in de wc gegooid te hebben. De directie benadrukte ter tuchtzitting echter al dat ook één sneetje niet toegestaan is. Daarnaast vond klager dat de fatik die getuige was vermeld had moeten worden én opgeroepen ter tuchtzitting. De klachtencommissie meent dat klager ter tuchtzitting geen elementen aanbracht die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD in de zin van dat er wel degelijk brood in zijn wc lag, hetgeen ook door hem wordt toegegeven. De toevoeging en oproeping van de fatik als getuige was volgens de klachtencommissie dan ook niet onontbeerlijk. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), verwijzend naar de bepaling die stelt dat klager de hem ter beschikking gestelde voorwerpen moet gebruiken conform het doel waarvoor ze bedoeld zijn. Klager voert aan dat door de plaatsing van deze bepaling in het huishoudelijk reglement (p. 10) en door de daaropvolgende zin dat voorwerpen die van hun normaal gebruik worden afgewend uit de cel verwijderd worden, het enkel om persoonlijke voorwerpen of goederen kan gaan en niet over iets dat behoort tot de standaarduitrusting van de cel, zoals het toilet, nu dit niet verwijderd kan worden. De klachtencommissie treedt deze zienswijze niet bij en wijst erop dat deze regel niet alleen op pagina 10 maar ook op pagina 4 van het huishoudelijk reglement staat opgenomen en daarbij duidelijk ook betrekking heeft op de verblijfsruimte en de daarin aanwezige en dus ter beschikking gestelde goederen, zoals het toilet. De klachtencommissie meent dat de kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd. Klager voert aan dat een loutere berisping ook voldoende was geweest. Hij beloofde ter tuchtzitting immers al om het niet meer te zullen doen. Hij meent daarnaast dat de effectieve sanctie van 3 dagen ATV een vergelding is voor zijn eerdere klachten die door de klachtencommissie gegrond werden verklaard. De klachtencommissie vindt de opgelegde sanctie wettelijk en redelijk en ziet dan ook geen reden om deze sanctie te hervormen naar een loutere berisping. De klacht is ongegrond.