Ga verder naar de inhoud

KC16/26-0067

Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - MEERPERSOONSCEL

De klacht gaat over een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Leuven Centraal.

Klager kreeg in voorliggende zaak een tuchtsanctie van 5 dagen ATV, omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan de inbreuk van de tweede categorie “het niet of onvoldoende rein houden van een verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen”.

De feiten deden zich voor op een meerpersoonscel. Gelet op het vermoeden van onschuld dient de directie te motiveren waarom ze de feiten aan klager toerekent. Deze toerekening betreft een individuele toerekening. Het belang van de individuele toerekening vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de Basiswet. Het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen moeten garanderen.

De directie baseert zich op het feit dat de beambten vastgesteld hebben uit welk raam iets naar buiten werd gegooid. Er werd niet vastgesteld wie dit deed. De klachtencommissie kan aan deze argumenten weinig waarde achten wat betreft het bewezen zijn van de feiten in hoofde van klager. De directie haalt geen enkel ander element aan op basis waarvan klagers individuele verantwoordelijkheid kan worden vastgesteld. De directie kon de feiten dan ook niet redelijkerwijze als bewezen beschouwen.

De directie meent dat klager op zijn minst medeplichtig is door geen melding te maken, noch op het ogenblik zelf, noch tijdens de hoorzitting. De Nederlandstalige beroepscommissie wees echter in het verleden reeds op dat een internationale consensus bestaat over het feit dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot spanningen, geweld en intimidatie tussen gedetineerden onderling, waarbij in het bijzonder zwakkere gedetineerden riskeren uitgebuit te worden. Dergelijke veronderstelling leidt op haar beurt aldus tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid.

De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kan worden toegerekend. De beslissing van de directie schendt het vermoeden van onschuld en het verbod op collectieve straffen en is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Om deze redenen is de klacht gegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0254