KC16/26-0050
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
KANTINE - REKENDIENST
De klacht handelt over de beslissing om klager (op het ogenblik van indiening van zijn klacht) slechts gedeeltelijk terug te betalen voor niet-geleverde kantineproducten (8 EUR minder dan hij ervoor betaald had). Volgens de klachtencommissie was er sprake van een beslissing namens de directie. Het is onduidelijk door wie en op welk moment aan klager gecommuniceerd werd dat hij de resterende 8 EUR niet zou terugkrijgen. Hiervan werd geen beslissing bijgebracht. De klachtencommissie acht het echter geloofwaardig dat er op het moment van indiening van de klacht sprake was van een mededeling en dus beslissing in die zin, nu het resterende bedrag pas ruimschoots na de indiening van de klacht, namelijk op 18 februari 2026, werd terugbetaald en er door de directie geen reden werd aangebracht waarom de terugbetaling (die volgens de initiële communicatie aan klager de week na de gebrekkige levering zou gebeuren), verdeeld werd over twee tijdstippen.
De beslissing om klager op 28 januari 2026 slechts gedeeltelijk terug te betalen met de mededeling dat hij het resterende bedrag niet zou krijgen is volgens de klachtencommissie onwettig. Dat de directie nadat klager klacht had ingediend alsnog overging tot de terugbetaling van de resterende 8 EUR doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie stelt vast dat klager intussen wel volledig vergoed werd, zodat de gevolgen van de vernietigde beslissing intussen al ongedaan gemaakt zijn. De klachtencommissie meent dan ook dat klager niet in aanmerking komt voor de toekenning van een tegemoetkoming (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet).
De klacht handelt over de beslissing om klager (op het ogenblik van indiening van zijn klacht) slechts gedeeltelijk terug te betalen voor niet-geleverde kantineproducten (8 EUR minder dan hij ervoor betaald had). Volgens de klachtencommissie was er sprake van een beslissing namens de directie. Het is onduidelijk door wie en op welk moment aan klager gecommuniceerd werd dat hij de resterende 8 EUR niet zou terugkrijgen. Hiervan werd geen beslissing bijgebracht. De klachtencommissie acht het echter geloofwaardig dat er op het moment van indiening van de klacht sprake was van een mededeling en dus beslissing in die zin, nu het resterende bedrag pas ruimschoots na de indiening van de klacht, namelijk op 18 februari 2026, werd terugbetaald en er door de directie geen reden werd aangebracht waarom de terugbetaling (die volgens de initiële communicatie aan klager de week na de gebrekkige levering zou gebeuren), verdeeld werd over twee tijdstippen.
De beslissing om klager op 28 januari 2026 slechts gedeeltelijk terug te betalen met de mededeling dat hij het resterende bedrag niet zou krijgen is volgens de klachtencommissie onwettig. Dat de directie nadat klager klacht had ingediend alsnog overging tot de terugbetaling van de resterende 8 EUR doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie stelt vast dat klager intussen wel volledig vergoed werd, zodat de gevolgen van de vernietigde beslissing intussen al ongedaan gemaakt zijn. De klachtencommissie meent dan ook dat klager niet in aanmerking komt voor de toekenning van een tegemoetkoming (artikel 158, §4, tweede lid Basiswet).