KC16/26-0027
Non fondée
Fondée
Compensation
Irrecevable
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Mesure de sécurité particulière
Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL - TERMIJN - FOUILLE LICHAAM - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING
Klager heeft een klacht ingediend tegen het feit dat hij gedurende zeven dagen in de beveiligde cel moest verblijven. Uit de dossierstukken blijkt dat dit in eerste instantie het gevolg was van een voorlopige maatregel die op 08.01.2026 om 13u30 door de directeur werd opgelegd. Klager heeft zijn klacht tegen de voorlopige maatregel van 08.01.2026 pas op 27.01.2026 gedateerd. Nochtans blijkt uit de bestreden beslissing dat op 08.01.2026 om 16u15 een kopie van de bestreden beslissing aan hem werd overhandigd. Op de beslissing staat duidelijk vermeld dat klager tegen de beslissing klacht kon indienen bij de klachtencommissie binnen een termijn van zeven dagen. De klacht werd bijgevolg laattijdig ingediend. Deze klacht is daarom niet-ontvankelijk.
Klager heeft daarnaast ook een klacht ingediend tegen de naaktfouille die op 08.01.2026 werd uitgevoerd in het kader van de plaatsing in de beveiligde cel. In tegenstelling tot de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel, vermeldt de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam geen datum waarop klager een kopie van deze beslissing heeft ontvangen en deze ‘voor ontvangst’ zou ondertekend hebben. De klachtencommissie ontving ook geen antwoord op de vraag die hierover werd gesteld. Bij ontstentenis van een datum van kennisname door klager kan de termijn van zeven dagen om klacht in te dienen dan ook geen aanvang nemen. De klacht is bijgevolg ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat de plaatsing van klager op de beveiligde cel de enige reden was om de naaktfouille op te leggen aangezien er in de motivering van de bestreden beslissing geen aanwijzingen worden vermeld waarom de directie het vermoeden had dat klager verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties op plaatsen had verstopt die niet toegankelijk zijn tijdens een onderzoek aan de kledij. De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille onwettig was. Deze klacht is daarom gegrond.
Klager heef tot slot ook een klacht ingediend tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna BVM) waardoor zijn verblijf in de beveiligde cel, zoals opgelegd door de voorlopige maatregel van 08.01.2026, verlengd werd. Opnieuw vermeldt de beslissing geen datum waarop klager kennisnam van de bestreden beslissing. Bij ontstentenis van een datum van kennisname door klager kan de termijn van zeven dagen om klacht in te dienen dan ook geen aanvang nemen. De klacht is bijgevolg ontvankelijk. De klachtencommissie acht de inschatting dat de toestand van klager een ernstige aanwijzing uitmaakte van een gevaar voor het menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis en de fysieke integriteit van personen correct en afdoende gemotiveerd. Volgens de klachtencommissie werd op afdoende wijze de noodzaak van elke opgelegde veiligheidsmaatregel toegelicht. De klachtencommissie stelt vast dat er voor de onderbrenging in de beveiligde cel een mogelijke ‘mildering’ in het vooruitzicht werd gesteld. De klachtencommissie wijst erop dat dergelijke aanvulling in principe overbodig is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd. De klachtencommissie oordeelt dat de bijzondere veiligheidsmaatregel wettelijk en gerechtvaardigd was. De klacht is daarom ongegrond.
Klager heeft een klacht ingediend tegen het feit dat hij gedurende zeven dagen in de beveiligde cel moest verblijven. Uit de dossierstukken blijkt dat dit in eerste instantie het gevolg was van een voorlopige maatregel die op 08.01.2026 om 13u30 door de directeur werd opgelegd. Klager heeft zijn klacht tegen de voorlopige maatregel van 08.01.2026 pas op 27.01.2026 gedateerd. Nochtans blijkt uit de bestreden beslissing dat op 08.01.2026 om 16u15 een kopie van de bestreden beslissing aan hem werd overhandigd. Op de beslissing staat duidelijk vermeld dat klager tegen de beslissing klacht kon indienen bij de klachtencommissie binnen een termijn van zeven dagen. De klacht werd bijgevolg laattijdig ingediend. Deze klacht is daarom niet-ontvankelijk.
Klager heeft daarnaast ook een klacht ingediend tegen de naaktfouille die op 08.01.2026 werd uitgevoerd in het kader van de plaatsing in de beveiligde cel. In tegenstelling tot de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel, vermeldt de beslissing tot het opleggen van een fouillering op het lichaam geen datum waarop klager een kopie van deze beslissing heeft ontvangen en deze ‘voor ontvangst’ zou ondertekend hebben. De klachtencommissie ontving ook geen antwoord op de vraag die hierover werd gesteld. Bij ontstentenis van een datum van kennisname door klager kan de termijn van zeven dagen om klacht in te dienen dan ook geen aanvang nemen. De klacht is bijgevolg ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat de plaatsing van klager op de beveiligde cel de enige reden was om de naaktfouille op te leggen aangezien er in de motivering van de bestreden beslissing geen aanwijzingen worden vermeld waarom de directie het vermoeden had dat klager verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties op plaatsen had verstopt die niet toegankelijk zijn tijdens een onderzoek aan de kledij. De klachtencommissie besluit dat de naaktfouille onwettig was. Deze klacht is daarom gegrond.
Klager heef tot slot ook een klacht ingediend tegen een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna BVM) waardoor zijn verblijf in de beveiligde cel, zoals opgelegd door de voorlopige maatregel van 08.01.2026, verlengd werd. Opnieuw vermeldt de beslissing geen datum waarop klager kennisnam van de bestreden beslissing. Bij ontstentenis van een datum van kennisname door klager kan de termijn van zeven dagen om klacht in te dienen dan ook geen aanvang nemen. De klacht is bijgevolg ontvankelijk. De klachtencommissie acht de inschatting dat de toestand van klager een ernstige aanwijzing uitmaakte van een gevaar voor het menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis en de fysieke integriteit van personen correct en afdoende gemotiveerd. Volgens de klachtencommissie werd op afdoende wijze de noodzaak van elke opgelegde veiligheidsmaatregel toegelicht. De klachtencommissie stelt vast dat er voor de onderbrenging in de beveiligde cel een mogelijke ‘mildering’ in het vooruitzicht werd gesteld. De klachtencommissie wijst erop dat dergelijke aanvulling in principe overbodig is, nu de bijzondere veiligheidsmaatregel altijd maar voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd mag worden opgelegd. De klachtencommissie oordeelt dat de bijzondere veiligheidsmaatregel wettelijk en gerechtvaardigd was. De klacht is daarom ongegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0264