Ga verder naar de inhoud

KC16/25-0360

Fondée Irrecevable KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire Pas de décision du directeur
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID - VOORWERPEN - SCHADE

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat de gevangenisdirectie zich bij het bewezen verklaren van de feiten heeft gebaseerd op de vaststellingen in het RAD, de verklaringen die door klager zijn afgelegd tijdens de tuchtzitting en de bevraging van de opsteller van het RAD. De klachtencommissie is van oordeel dat er op basis van het RAD geen twijfel over bestaat dat er drugs zijn gevonden in de cel waar klager op dat moment alleen verbleef. Die vaststelling ontkent klager ook niet. Hij houdt wel vol dat die drugs niet van hem zijn en dat die verborgen zaten achter het laag plastic die reeds aan de muur werd bevestigd door de vorige bewoner van de cel. Klager heeft een tweede laag plastic aangebracht gelet op de vuile staat van de cel.

Teneinde de verklaring van klager te verifiëren heeft de klachtencommissie aan de directie gevraagd of de cel van klager werd gepoetst vooraleer hij introk in deze cel, of er een celstaat werd opgemaakt en of klager rapportbriefjes heeft ingediend over de vuile staat van zijn cel. De directie liet weten dat normaliter de cel steeds gepoetst wordt door de diender op de vleugel, vooraleer er een nieuwe gedetineerde intrekt dus ook in het geval van klager maar dit kan zij evenwel niet meer nagaan. Uit de celstaat blijkt dat klager de cel is ingetrokken op 22.08.2025. Als opmerkingen werden onder andere genoteerd dat de buitenmuur plakkerig was en het behang vervuild. De klachtencommissie besluit dat er van een plasticfolie dus geen sprake was. Tot slot kon de directie geen rapportbriefjes van klager terugvinden over de staat van zijn cel. Er werden bij de commissie van toezicht ook geen grieven van klager over zijn cel geregistreerd. De klachtencommissie besluit daarom dat klager geen overtuigende tegenindicaties heeft aangehaald en dat de directie in redelijkheid en billijkheid het bezit van de gevonden drugs kon toerekenen aan klager.

De directie heeft klager echter ook gesanctioneerd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. In de motivering van de tuchtbeslissing wordt niet vermeld welke bepaling van het huishoudelijk reglement klager zou hebben geschonden. Een gedetineerde moet nochtans kunnen begrijpen welke motieven de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan bovendien enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. Deze tuchtinbreuk kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet.

Om deze redenen is de klacht tegen de tuchtbeslissing van 18.11.2025 gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing in zoverre klager gesanctioneerd werd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Voor het overige blijft de tuchtbeslissing bestaan. De gedeeltelijke vernietiging heeft geen invloed op de wettelijk toegestane maximum sanctie.

Klager heeft ook een klacht ingediend omdat hij niets meer heeft vernomen over zijn weggegooide spullen door het winket nadat hij hiervoor een formulier heeft ingediend. Een gedetineerde die schade vaststelt aan zijn goederen of vaststelt dat hij goederen is verloren en hiervoor schadevergoeding wenst, dient de gevangenisdirectie hiervan in te lichten door middel van het invullen van het formulier uit bijlage 1 bij Collectieve Brief nr. 133 van 12 oktober 2015 Vergoeding van schade aan voorwerpen van gedetineerden. Dit formulier dient door de gedetineerde zo snel mogelijk en uiterlijk 14 dagen na de vaststelling van de schade door de gedetineerde, ingevuld en overhandigd te worden. Van deze redelijke termijn kan afgeweken worden indien elementen van het dossier dit rechtvaardigen. Na ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding zal de gevangenisdirectie van de gevangenis waar de gedetineerde verblijft op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, onmiddellijk een grondig onderzoek instellen om de omstandigheden van het schadegeval vast te stellen. In voorkomend geval bevraagt de gevangenisdirectie hiertoe andere gevangenissen en/of diensten die bij het schadegeval betrokken waren. Van dit intern onderzoek wordt een schadedossier opgesteld door de gevangenisdirectie. Dit schadedossier wordt zo snel mogelijk aan de Directie Juridische Ondersteuning (hierna: DJO) bezorgd, die de uiteindelijke beslissing neemt over het al dan niet toekennen van een schadevergoeding. Uit bijkomende informatie die de klachtencommissie heeft opgevraagd bij de directie blijkt dat een directielid op 29.07.2024 de aanvraag tot schadevergoeding heeft ingediend bij de DJO. Op het moment dat klager zijn klacht heeft ingediend, had de directie dus gedaan wat ze moest doen. Klager dient thans te wachten op de beslissing die zal genomen worden door de DJO. Deze klacht is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0158