KC16/25-0307
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
STAKING - WANDELING
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de stakingsdag van 14.10.2025 niet is kunnen gaan wandelen hoewel hij meent daar op grond van de Basiswet recht op te hebben. De klachtencommissie stelt aan de hand van de registratie door de commissie van toezicht vast dat er tijdens de staking van 14.10.2025 inderdaad geen wandeling was georganiseerd. De directie meent dat de klacht van klager hierover niet-ontvankelijk is omdat dit geen individuele beslissing van de directie ten aanzien van klager is. De directie verwijst hiervoor naar de rechtspraak van de Raad van State.
De gedetineerde heeft op grond van de Basiswet recht op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week en recht op een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht. Daarenboven is in de wet van 23 maart 2019 bepaald dat, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, tijdens de gehele duur van de staking wordt voorzien in bepaalde minimumgaranties voor gedetineerden, waaronder de mogelijkheid om minstens één uur in open lucht te vertoeven. De wet van 23 maart 2019 draagt expliciet de directie op om de nodige maatregelen te treffen zodat deze minimumgaranties ten aanzien van gedetineerden worden nageleefd.
De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de klacht van klager gericht is tegen het verzuim van de directie om (onder andere) ten aanzien van klager maatregelen te nemen zodat de minimumgarantie van minstens één uur buitenlucht tijdens de staking van 14.10.2025 werd gegarandeerd, hoewel dit haar nochtans uitdrukkelijk werd opgedragen door een wettelijke bepaling. De klacht is volgens de klachtencommissie dus wel degelijk ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat het door de directie aangehaalde arrest van de Raad van State geen wijziging aanbrengt in de intussen vaststaande rechtspraak van de klachtencommissie. Gelet op de wettelijke bepalingen die voorschrijven dat een gedetineerde, ook tijdens een staking, het recht heeft op minstens één uur buitenlucht, en het vaststaat dat klager op 14.10.2025 geen wandeling heeft gekregen, is de klacht gegrond.
Klager heeft een klacht ingediend omdat hij op de stakingsdag van 14.10.2025 niet is kunnen gaan wandelen hoewel hij meent daar op grond van de Basiswet recht op te hebben. De klachtencommissie stelt aan de hand van de registratie door de commissie van toezicht vast dat er tijdens de staking van 14.10.2025 inderdaad geen wandeling was georganiseerd. De directie meent dat de klacht van klager hierover niet-ontvankelijk is omdat dit geen individuele beslissing van de directie ten aanzien van klager is. De directie verwijst hiervoor naar de rechtspraak van de Raad van State.
De gedetineerde heeft op grond van de Basiswet recht op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week en recht op een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht. Daarenboven is in de wet van 23 maart 2019 bepaald dat, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, tijdens de gehele duur van de staking wordt voorzien in bepaalde minimumgaranties voor gedetineerden, waaronder de mogelijkheid om minstens één uur in open lucht te vertoeven. De wet van 23 maart 2019 draagt expliciet de directie op om de nodige maatregelen te treffen zodat deze minimumgaranties ten aanzien van gedetineerden worden nageleefd.
De klachtencommissie besluit bijgevolg dat de klacht van klager gericht is tegen het verzuim van de directie om (onder andere) ten aanzien van klager maatregelen te nemen zodat de minimumgarantie van minstens één uur buitenlucht tijdens de staking van 14.10.2025 werd gegarandeerd, hoewel dit haar nochtans uitdrukkelijk werd opgedragen door een wettelijke bepaling. De klacht is volgens de klachtencommissie dus wel degelijk ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat het door de directie aangehaalde arrest van de Raad van State geen wijziging aanbrengt in de intussen vaststaande rechtspraak van de klachtencommissie. Gelet op de wettelijke bepalingen die voorschrijven dat een gedetineerde, ook tijdens een staking, het recht heeft op minstens één uur buitenlucht, en het vaststaat dat klager op 14.10.2025 geen wandeling heeft gekregen, is de klacht gegrond.