Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0184

Non fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES

De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing uitgesproken door de directie van de gevangenis.

De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, een tuchtinbreuk van eerste categorie, naar aanleiding van een rapport aan de directeur (RAD).

Volgens het RAD werd tijdens een celcontrole bij klager in de namiddag een vermoedelijk verboden substantie gevonden in een plastiek zakje dat in een brillendoosje stak. Volgens de opsteller beweerde klager hierover dat hij dat in de douche had gevonden en dat hij dat persoonlijk aan de directie wou afgeven. De directeur nam op 18.07.2024 kennis van het RAD en nodigde klager uit voor de tuchtrechtelijke hoorzitting.
Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat klager verklaarde dat hij mevrouw Degol en mevrouw Huygens had aangeschreven hierover. Klager had tijdens zijn detentie in de gevangenis van Leuven-Hulp geleerd dat wanneer hij medicatie vond, hij dit aan het centrum moest afgeven en verboden substanties aan de adjudant of directie. Volgens klager was de substantie niet verstopt in een brillendoos, hij had het klaar gelegd om af te geven. Klager zou zelf geen drugs gebruiken en wil dit aantonen door iedere dag een test af te leggen.

De klachtencommissie is van oordeel dat het bezit van een verboden substantie in hoofde van klager ontegensprekelijk bewezen is. De substantie werd immers bij hem op cel gevonden. Bovendien acht de klachtencommissie de verklaring van klager niet geloofwaardig. Klager had de substantie moeten laten liggen en het bewakend personeel verwittigen.

De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van vijftien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook redelijk en billijk was. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.