Ga verder naar de inhoud

KC16/24-0181

Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Autre décision directeur
VOEDING

De klacht gaat over glutenvrij brood.

De klachtencommissie stelt vast dat klager op het moment dat hij zijn klacht indiende, namelijk op 17.07.2024, nog geen antwoord van de directie had ontvangen op zijn vraag om hem alsnog, desondanks de gebondenheid aan de broodleverancier, bruin glutenvrij brood te bezorgen. De klachtencommissie is niet op de hoogte dat klager glutenvrij brood moet eten op doktersvoorschrift, laat staan dat dit wit of bruin glutenvrij brood moet zijn. Anderzijds stelt de klachtencommissie vast dat de directie in haar verweer niet betwist dat klager recht heeft op glutenvrij brood. De klachtencommissie is van oordeel dat de vraag van klager een concrete vraag aan de directie inhield, die de directie had moeten beantwoorden op grond van artikel 42 van de Basiswet en CB nr. 107, hetgeen de directie heeft nagelaten gedurende drie maanden.
De klachtencommissie besluit dat de klacht gericht is tegen een verzuim van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid van de Basiswet. De klacht is ontvankelijk.

Hoewel de Basiswet en Collectieve Brief nr. 107 het recht op aangepaste voeding volgens de gezondheidstoestand van de gedetineerde waarborgen, meent de klachtencommissie dat de omstandigheid dat klager gedurende enkele maanden geen bruin glutenvrij brood meer kreeg, niet onwettig is. Klager kreeg immers wel nog steeds glutenvrij brood, weliswaar wit glutenvrij brood. De klachtencommissie is echter van oordeel dat het onredelijk en onbillijk is dat klager verschillende maanden in het ongewisse bleef over zijn vraag, hoewel uit het verweer van de directie blijkt dat de boekhouding nochtans naar een oplossing aan het zoeken was, en dat hem geen bruin glutenvrij brood gegeven werd hoewel dat kortstondig wel mogelijk bleek bij de overgang van leverancier. Om deze reden is de klacht gegrond.