KC16/23-0139
Non fondée
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Mesure provisoire
Fouille à corps
FOUILLE OP HET LICHAAM - SUBSIDIARITEITSPRINCIPE - VERBODEN SUBSTANTIES - MOTIVERING - VOORLOPIGE MAATREGEL
Wat betreft de naaktfouille van 14.07.2023:
De beslissing tot het opleggen van een onderzoek aan het lichaam van 14.07.2023 was een beslissing die door de directeur ten aanzien van klager werd genomen. In casu had men de mogelijkheid om een onderzoek aan de kledij te doen aangezien men klager iets in zijn brace aan zijn enkel had zien steken. Op basis van het RAD, de motivering van de voorlopige maatregel en de naaktfouille, stelt de klachtencommissie vast dat men ook gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid aangezien men bij aanvang van de naaktfouille vroeg aan klager om zijn brace uit te doen waarop klager iets uit zijn linker sok haalde, dit in zijn mond stak en, tegen het bevel van het personeel in, tenslotte ook inslikte. De klachtencommissie besluit dat het onderzoek aan de kledij op zich al zijn doel had bereikt, nog voor de naaktfouille een aanvang had genomen. Nochtans was de naaktfouille toch op voorhand bevolen en werd de naaktfouille alsnog uitgevoerd, nadat klager het voorwerp al had ingeslikt…
Gelet op de schending van het subsidiariteitsprincipe, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de fouillering op het lichaam van 14.07.2023 onwettig was. De klacht is gegrond.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 14.07.2023:
Na de naaktfouille werd, conform de verklaringen ter zitting, telefonisch een voorlopige maatregel opgelegd door het inrichtingshoofd in de vorm van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten omdat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou zijn aangetast doordat klager iets had ingeslikt. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de voorlopige maatregel niet verwijst naar aanwijzingen dat klager de interne veiligheid ernstig had aangetast.
De klachtencommissie stelt vast dat enkel de naam van het inrichtingshoofd met daaronder io en de naam van de adjudant werd ingevuld op de beslissing. Op die manier lijkt het alsof de directeur de beslissingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan de adjudant, hetgeen niet wordt toegelaten door de Basiswet, terwijl het inrichtingshoofd de beslissing wel degelijk zelf heeft genomen, maar telefonisch aangezien zij niet meer aanwezig was in de inrichting. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is de klacht gegrond.
Wat betreft de naaktfouille van 14.07.2023:
De beslissing tot het opleggen van een onderzoek aan het lichaam van 14.07.2023 was een beslissing die door de directeur ten aanzien van klager werd genomen. In casu had men de mogelijkheid om een onderzoek aan de kledij te doen aangezien men klager iets in zijn brace aan zijn enkel had zien steken. Op basis van het RAD, de motivering van de voorlopige maatregel en de naaktfouille, stelt de klachtencommissie vast dat men ook gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid aangezien men bij aanvang van de naaktfouille vroeg aan klager om zijn brace uit te doen waarop klager iets uit zijn linker sok haalde, dit in zijn mond stak en, tegen het bevel van het personeel in, tenslotte ook inslikte. De klachtencommissie besluit dat het onderzoek aan de kledij op zich al zijn doel had bereikt, nog voor de naaktfouille een aanvang had genomen. Nochtans was de naaktfouille toch op voorhand bevolen en werd de naaktfouille alsnog uitgevoerd, nadat klager het voorwerp al had ingeslikt…
Gelet op de schending van het subsidiariteitsprincipe, is de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de fouillering op het lichaam van 14.07.2023 onwettig was. De klacht is gegrond.
Wat betreft de voorlopige maatregel van 14.07.2023:
Na de naaktfouille werd, conform de verklaringen ter zitting, telefonisch een voorlopige maatregel opgelegd door het inrichtingshoofd in de vorm van verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte en uitsluiting van deelname aan alle individuele en gemeenschappelijke activiteiten omdat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou zijn aangetast doordat klager iets had ingeslikt. De klachtencommissie is van oordeel dat de motivering van de voorlopige maatregel niet verwijst naar aanwijzingen dat klager de interne veiligheid ernstig had aangetast.
De klachtencommissie stelt vast dat enkel de naam van het inrichtingshoofd met daaronder io en de naam van de adjudant werd ingevuld op de beslissing. Op die manier lijkt het alsof de directeur de beslissingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan de adjudant, hetgeen niet wordt toegelaten door de Basiswet, terwijl het inrichtingshoofd de beslissing wel degelijk zelf heeft genomen, maar telefonisch aangezien zij niet meer aanwezig was in de inrichting. De klachtencommissie besluit dat de voorlopige maatregel werd opgelegd in strijd met de Basiswet. Om deze reden is de klacht gegrond.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/23-0282