KC16/23-0088
Non fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Mesure provisoire
VOORLOPIGE MAATREGEL
De klacht betreft de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van de directie van de gevangenis.
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgesteld omdat opsteller en zijn twee collega’s tumult hoorden op de sectie van vleugel D (opendeurregime). Toen men zich ging vergewissen van de situatie, stelde men vast dat klager gekwetst was aan zijn rechteroog en hals. Hij gaf onmiddellijk aan slagen te hebben gekregen van een medegedetineerde. Deze medegedetineerde verklaarde klager enkel te hebben geduwd in zijn cel. Later die dag werd ook nog een observatienota opgesteld omtrent het verward en emotioneel voorkomen van klager. Hij zou gemaskerde mannen zien rondlopen en voelde zich bedreigd.
Ingevolge bovenstaand RAD, heeft de directeur beide gedetineerden een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast door de schermutseling. Vanaf dat moment moest klager, in afwachting van de tuchtprocedure, verblijven in zijn cel en werd hij uitgesloten van deelname aan alle activiteiten. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt. De klachtencommissie is van oordeel dat een schermutseling tussen gedetineerden binnen een opendeurregime (waaronder vleugel D) een ernstige en opzettelijke
aantasting van de orde en de veiligheid uitmaakt waarbij het risico op escalatie bovendien groot is. De klachtencommissie meent dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was.
Gelet op het opendeurregime waarin klager en de medegedetineerde verbleven, begrijpt de klachtencommissie dat het voor de directie noodzakelijk was om beide gedetineerden uit elkaar te houden opdat het incident verder onderzocht kon worden. Het was immers niet volledig duidelijk hoe de vork in de steel zat aangezien het personeel de schermutseling niet had gezien. De klachtencommissie besluit dat de directie bovendien in redelijkheid en billijkheid heeft beslist.
Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.
De klacht betreft de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel van de directie van de gevangenis.
Er werd een rapport aan de directeur (RAD) opgesteld omdat opsteller en zijn twee collega’s tumult hoorden op de sectie van vleugel D (opendeurregime). Toen men zich ging vergewissen van de situatie, stelde men vast dat klager gekwetst was aan zijn rechteroog en hals. Hij gaf onmiddellijk aan slagen te hebben gekregen van een medegedetineerde. Deze medegedetineerde verklaarde klager enkel te hebben geduwd in zijn cel. Later die dag werd ook nog een observatienota opgesteld omtrent het verward en emotioneel voorkomen van klager. Hij zou gemaskerde mannen zien rondlopen en voelde zich bedreigd.
Ingevolge bovenstaand RAD, heeft de directeur beide gedetineerden een voorlopige maatregel opgelegd omdat zij van oordeel was dat de interne veiligheid ernstig en opzettelijk was aangetast door de schermutseling. Vanaf dat moment moest klager, in afwachting van de tuchtprocedure, verblijven in zijn cel en werd hij uitgesloten van deelname aan alle activiteiten. De interne veiligheid is een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt. De klachtencommissie is van oordeel dat een schermutseling tussen gedetineerden binnen een opendeurregime (waaronder vleugel D) een ernstige en opzettelijke
aantasting van de orde en de veiligheid uitmaakt waarbij het risico op escalatie bovendien groot is. De klachtencommissie meent dat de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel wettig was.
Gelet op het opendeurregime waarin klager en de medegedetineerde verbleven, begrijpt de klachtencommissie dat het voor de directie noodzakelijk was om beide gedetineerden uit elkaar te houden opdat het incident verder onderzocht kon worden. Het was immers niet volledig duidelijk hoe de vork in de steel zat aangezien het personeel de schermutseling niet had gezien. De klachtencommissie besluit dat de directie bovendien in redelijkheid en billijkheid heeft beslist.
Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.