Ga verder naar de inhoud

KC16/23-0082

Non fondée Fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Autre décision directeur Disciplinaire
TUCHT - HUISHOUDELIJK REGLEMENT - PUNTENSYSTEEM - MOTIVERING

De klacht betreft de tuchtbeslissing en de beslissing tot het opleggen van drie punten van de directie van de gevangenis.

Wat betreft de tuchtbeslissing:
In casu heeft een personeelslid een RAD opgemaakt om te melden dat zij tijdens haar dienst had vastgesteld hoe klager iets onder een celdeur doorgaf aan een gedetineerde die in ATV verbleef. Klager is op de hoogte van de regel dat dit niet is toegestaan. De rapporten aan de directeur vormen voor de directie een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een  voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.

De klachtencommissie heeft kennis genomen van het RAD. De klachtencommissie meent dat dit rapport de duidelijke vaststelling bevat hoe klager iets doorgeeft met een gedetineerde die in ATV verblijft. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft klager verklaard dat hij niets had doorgegeven maar dat hij iets in ontvangst had genomen, namelijk een papiertje met het telefoonnummer van de raadsman van die gedetineerde. Het huishoudelijk reglement verbiedt gedetineerden zaken door te geven aan elkaar. Klager wist dit bovendien aangezien hij hier reeds tuchtrechtelijk voor was gesanctioneerd. De klachtencommissie is bijgevolg van oordeel dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuk. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van drie dagen ATV. Voor een inbreuk van tweede categorie is de maximale sanctie vijftien dagen waardoor de sanctie wettig is. Gelet op de herhaling van de inbreuk is de sanctie bovendien niet onredelijk of onbillijk. Om deze redenen is de klacht kennelijk ongegrond.

Wat betreft de toekenning van drie punten:
De  directie  blijft van oordeel dat het toekennen van punten het automatische gevolg is van het plegen van een bepaalde tuchtinbreuk – en dit op basis van de brochure basisregime– en dus geen voorafgaande individuele beoordeling van de gevangenisdirecteur veronderstelt. De toekenning van punten is volgens haar niet meer dan de loutere toepassing van de brochure basisregime. De klachtencommissie is een andere mening toegedaan. De beslissing om een gedetineerde van het ene naar het andere regime over te plaatsen, is inherent een geïndividualiseerde beslissing die een welbepaalde gedetineerde  (be)treft. Ook al giet de directie  haar beslissingsbevoegdheid omtrent cel- en regimemutaties in algemene richtlijnen die automatisch uitwerking  zouden  vinden, in casu het puntensysteem, betekent dit niet  dat  de directie  hierdoor  het  toezicht  van de klachtencommissie ontloopt.

De toekenning van punten blijft bijgevolg onmiskenbaar een beslissing van de directie  ten aanzien van een individuele gedetineerde, klager. Dit wordt bevestigd door de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure.  De directie stelt immers dat “iedere gedetineerde die één van de tuchtrechtelijke
inbreuken pleegt die worden weerhouden in het basisregime, punten krijgt toebedeeld.” Wanneer  de directie dus een tuchtbeslissing neemt, neemt zij daardoor ook onmiddellijk in dat concrete, individuele geval een beslissing over de toegekende punten. De klachtencommissie besluit dat de toekenning van vijf punten een individuele beslissing van de directeur was.   De klacht is ontvankelijk, zodat de klachtencommissie overgaat tot het onderzoek ten gronde.

De klachtencommissie meent dat niet voldoende aandacht werd besteed aan de motivering van de beslissing. Iedere gedetineerde krijgt hetzelfde puntenbriefje waar enkel het aantal punten naderhand wordt ingevuld. De motivering is bijgevolg niet geïndividualiseerd. In deze standaardmotivering wordt de doelstelling van het puntensysteem, namelijk een essentieel instrument vormt ter handhaving van de goede werking van het gedifferentieerd regime niet vermeld, noch verduidelijkt. In de standaardmotivering wordt tenslotte niet gemotiveerd waarom klager een gevaar zou vormen voor de goede werking van het gedifferentieerde regime. De klachtencommissie besluit dat de motivering niet afdoende was, in die zin dat ze de gedetineerde niet in staat stelde om de beslissing en de motieven die tot de beslissing geleid hebben te begrijpen. De beslissing voldoet bijgevolg niet aan de vereiste zoals gesteld in artikel 8 van de basiswet.

De Basiswet bepaalt bovendien dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde  en herhaalde meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen het puntensysteem en de tuchtprocedure.  Zij is hierin steeds duidelijk geweest: “wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten toegekend.” Maar voor de afhandeling van tuchtinbreuken riep  de Basiswet  net een geformaliseerde tuchtprocedure in het leven.

De klachtencommissie is van oordeel dat de toekenning van punten een tuchtsanctie is, die niet voorzien is in de Basiswet. Het oordeel van de klachtencommissie wordt bevestigd in het ambtshalve advies van de CTRG betreffende het huishoudelijk reglement (algemeen gedeelte) van de gevangenissen, goedgekeurd op 20.10.2022.
Om deze redenen is de klacht kennelijk gegrond.