KC16/22-0120
Fondée
Irrecevable
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Pas de décision du directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - PROPORTIONALITEIT
Klager verzamelt postzegels. In mei 2021 ontving de klachtencommissie al een klacht van klager over de beslissing van de directie om bij ontvangst van postzegels, steeds hetzelfde aantal te laten deponeren zodat de verzameling van klager overzichtelijk blijft. De klachtencommissie verklaarde de klacht toen gegrond (KC16/21-0050) maar werd teruggefloten door de Beroepscommissie (BC/21-0148). De Beroepscommissie heeft toen beslist dat de “initiële beslissing dateert van 6 december 2019 en men hier nadien niet op is teruggekomen.” Zoals de directie stelt in haar verweer, werd sinds 06.12.2019 geen beslissing meer genomen over de postzegels. De klacht is bijgevolg onontvankelijk.
Klager heeft tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Brugge twee flacons zoetstofpillen (zoetjes) aangekocht. Deze flacons werden in Brugge gedeponeerd omwille van de verzameldrang van klager. Bij zijn overplaatsing naar Leuven – centraal, werden dezelfde dozen, inclusief de zoetstofpillen, ook gedeponeerd. Zoetstofpillen komen niet voor op de lijst van verboden voorwerpen. Het zijn ook geen bederfbare producten. De twee flacons zijn volgens klager nog verzegeld zodat de controle van deze producten ook niet arbeidsintensief kan zijn. Aangezien klager lijdt aan diabetes, dient hij deze zoetjes iedere dag te gebruiken. De klachtencommissie is van oordeel dat de zoetstofpillen hierdoor deel uitmaken van het dagelijkse leven van de gedetineerde en dus beschouwd dienen te worden als een toegelaten voorwerp. Tenslotte kunnen de zoetstofpillen ook geen gevaar vormen voor de orde of de veiligheid in de gevangenis. Toch mag klager zijn zoetstofpillen niet op cel hebben. De klachtencommissie meent dat de weigering van de directeur niet conform de bepalingen van de Basiswet, het KB van 8 april 2011 en de CB nr. 113 van 5 augustus 2011 is. Klager heeft momenteel geen zoetstofpillen meer op cel en het gaat enkel om twee kleine flacons. Het argument van de verzameldrang van klager is in deze dan ook niet doorslaggevend. Klager heeft de klachtencommissie verzekerd dat hij de doos kan aanwijzen waarin de zoetstofpillen zitten zodat de uithaling efficiënt kan verlopen. De weigering om klager zijn zoetstofpillen te geven is bijgevolg ook onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond.
Klager verzamelt postzegels. In mei 2021 ontving de klachtencommissie al een klacht van klager over de beslissing van de directie om bij ontvangst van postzegels, steeds hetzelfde aantal te laten deponeren zodat de verzameling van klager overzichtelijk blijft. De klachtencommissie verklaarde de klacht toen gegrond (KC16/21-0050) maar werd teruggefloten door de Beroepscommissie (BC/21-0148). De Beroepscommissie heeft toen beslist dat de “initiële beslissing dateert van 6 december 2019 en men hier nadien niet op is teruggekomen.” Zoals de directie stelt in haar verweer, werd sinds 06.12.2019 geen beslissing meer genomen over de postzegels. De klacht is bijgevolg onontvankelijk.
Klager heeft tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Brugge twee flacons zoetstofpillen (zoetjes) aangekocht. Deze flacons werden in Brugge gedeponeerd omwille van de verzameldrang van klager. Bij zijn overplaatsing naar Leuven – centraal, werden dezelfde dozen, inclusief de zoetstofpillen, ook gedeponeerd. Zoetstofpillen komen niet voor op de lijst van verboden voorwerpen. Het zijn ook geen bederfbare producten. De twee flacons zijn volgens klager nog verzegeld zodat de controle van deze producten ook niet arbeidsintensief kan zijn. Aangezien klager lijdt aan diabetes, dient hij deze zoetjes iedere dag te gebruiken. De klachtencommissie is van oordeel dat de zoetstofpillen hierdoor deel uitmaken van het dagelijkse leven van de gedetineerde en dus beschouwd dienen te worden als een toegelaten voorwerp. Tenslotte kunnen de zoetstofpillen ook geen gevaar vormen voor de orde of de veiligheid in de gevangenis. Toch mag klager zijn zoetstofpillen niet op cel hebben. De klachtencommissie meent dat de weigering van de directeur niet conform de bepalingen van de Basiswet, het KB van 8 april 2011 en de CB nr. 113 van 5 augustus 2011 is. Klager heeft momenteel geen zoetstofpillen meer op cel en het gaat enkel om twee kleine flacons. Het argument van de verzameldrang van klager is in deze dan ook niet doorslaggevend. Klager heeft de klachtencommissie verzekerd dat hij de doos kan aanwijzen waarin de zoetstofpillen zitten zodat de uithaling efficiënt kan verlopen. De weigering om klager zijn zoetstofpillen te geven is bijgevolg ook onredelijk en onbillijk. De klacht is gegrond.