Ga verder naar de inhoud

KC16/22-0035

Non fondée KC - Leuven Centraal Commission des plaintes Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - PROPORTIONALITEIT

Klager dient een klacht in tegen de beslissing van de directeur om de bijzondere veiligheidsmaatregel (BVM) te verlengen. Klager kreeg een BVM opgelegd omwille van onvoorspelbaar en verbaal zeer agressief gedrag. Aangezien klager voldoende gekalmeerd was, werd hij op het einde van de BVM van de veiligheidscel naar zijn cel overgebracht. Tijdens zijn verblijf in de veiligheidscel werden verschillende observatienota’s opgemaakt. Op basis van de stukken uit het dossier, lijkt het alsof het temperament en het agressief gedrag van klager was gaan liggen op het moment van de beslissing tot verlenging. Dit was ook de reden waarom klager opnieuw terechtkon op zijn cel. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat klager nog steeds psychotisch was. Net omdat klager zijn toestandsbeeld zo instabiel was en zijn gedrag zo onvoorspelbaar, mocht de directie ervan uitgaan dat er nog steeds ernstige aanwijzingen waren voor een gevaar van de veiligheid.

De directie heeft bij het nemen van haar beslissing bovendien niet enkel gedacht aan de veiligheid van haar personeel en van de andere gedetineerden, maar ook aan de veiligheid van klager zelf door hem bijvoorbeeld scherpe voorwerpen te ontnemen gelet op het gevaar van zelfverwonding tijdens een psychose. De klachtencommissie is van oordeel dat de verlenging van de BVM evenredig was aan de bedreiging en dat hij ze ook verhielp. De directie had de expliciete bedoeling om klager op een gecontroleerde en veilige manier te laten wennen aan nieuwe prikkels tijdens zijn verblijf op cel na zijn eerder verblijf in de veiligheidscel. De klachtencommissie besluit dat de beslissing tot verlenging van de BVM genomen is conform de bepalingen van de Basiswet en dat deze redelijk en billijk was. De klacht is ongegrond.