KC16/21-0122
Non fondée
Fondée
KC - Leuven Centraal
Commission des plaintes
Autre décision directeur
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - PUNTENSYSTEEM - ORDEMAATREGEL - ONTSLAG
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende personeelsleden. De rapporten die de penitentiair beambten in de uitoefening van hun functie opstellen, vormen voor de gevangenisdirecteur principieel en bij ontstentenis van tegenindicaties een deugdelijke grondslag om het bestaan en de ernst van de feiten te beoordelen. Klager betwist niet dat hij erg gefrustreerd was en daarom een heel aantal zaken heeft omvergegooid. Alsook dat hij weigerde om mee te gaan naar de veiligheidscel. De klachtencommissie acht de tenlastelegging zoals weerhouden in de aangeklaagde tuchtbeslissing dan ook bewezen. De klacht is ongegrond.
De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen een tuchtinbreuk en de toekenning van punten. Zij is hierin duidelijk: wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten toegekend. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met het opleggen van de punten een duidelijke intentie tot bestraffen heeft, buiten het wettelijke kader van de Basiswet om. De klachtencommissie besluit dat er een schending is van artikel 124, § 1 Basiswet.
De klacht is gegrond.
De klachtencommissie stelt vast dat klager de bestreden ordemaatregel als bestraffend ervaart, maar wijst erop dat tot het bestaan van een verdoken tuchtsanctie echter niet kan worden besloten louter op grond van de subjectieve gevoelens van klager. De afzetting van werk is ingegeven door een vertrouwensbreuk. De ordemaatregel is hoofdzakelijk genomen omwille van het veiligheidskader waarmee de goede werking van de instelling wordt verzekerd. Het determinerende motief van de ordemaatregel bestond er dus niet in om klager te bestraffen. Klager werd louter gestraft door de opgelegde tuchtsanctie, zodat het non bis in idem beginsel niet is geschonden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing op een redelijke en billijke manier is genomen met inachtneming van de wettelijke procedurele voorschriften. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende personeelsleden. De rapporten die de penitentiair beambten in de uitoefening van hun functie opstellen, vormen voor de gevangenisdirecteur principieel en bij ontstentenis van tegenindicaties een deugdelijke grondslag om het bestaan en de ernst van de feiten te beoordelen. Klager betwist niet dat hij erg gefrustreerd was en daarom een heel aantal zaken heeft omvergegooid. Alsook dat hij weigerde om mee te gaan naar de veiligheidscel. De klachtencommissie acht de tenlastelegging zoals weerhouden in de aangeklaagde tuchtbeslissing dan ook bewezen. De klacht is ongegrond.
De Basiswet bepaalt dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet. De directie bevestigde en herhaalde meermaals de onlosmakelijke verknochtheid tussen een tuchtinbreuk en de toekenning van punten. Zij is hierin duidelijk: wie een tuchtinbreuk pleegt, wordt tuchtrechtelijk bestraft én krijgt punten toegekend. De klachtencommissie stelt vast dat de directie met het opleggen van de punten een duidelijke intentie tot bestraffen heeft, buiten het wettelijke kader van de Basiswet om. De klachtencommissie besluit dat er een schending is van artikel 124, § 1 Basiswet.
De klacht is gegrond.
De klachtencommissie stelt vast dat klager de bestreden ordemaatregel als bestraffend ervaart, maar wijst erop dat tot het bestaan van een verdoken tuchtsanctie echter niet kan worden besloten louter op grond van de subjectieve gevoelens van klager. De afzetting van werk is ingegeven door een vertrouwensbreuk. De ordemaatregel is hoofdzakelijk genomen omwille van het veiligheidskader waarmee de goede werking van de instelling wordt verzekerd. Het determinerende motief van de ordemaatregel bestond er dus niet in om klager te bestraffen. Klager werd louter gestraft door de opgelegde tuchtsanctie, zodat het non bis in idem beginsel niet is geschonden. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing op een redelijke en billijke manier is genomen met inachtneming van de wettelijke procedurele voorschriften. De klacht is ongegrond.