Ga verder naar de inhoud

KC12/25-0102

Non fondée KC - Ieper Commission des plaintes Mesure provisoire Mesure de sécurité particulière
VOORLOPIGE MAATREGEL - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL

De klacht gaat over beslissingen van de directie van de gevangenis van Ieper waarbij aan klager een voorlopige maatregel en een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: ‘BVM’) werd opgelegd.

- De voorlopige maatregel

De directeur kan een voorlopige maatregel nemen in afwachting van de tuchtprocedure. De directie nam een voorlopige maatregel op grond van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid bestaande uit een verblijf op de beveiligde cel.

De voorlopige maatregel werd gemotiveerd als volgt: “Gedetineerde is aanstoker van vechtpartij met meerdere gedetineerden op de gemeensch. wandeling waarbij de rust, orde en veiligheid in het gedrang kwam”.

De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel wettig was, gelet op de noodzaak op de fysieke integriteit van personen in de gevangenis te vrijwaren. Gelet op de feiten was de plaatsing van klager in een verplicht verblijf op een beveiligde cel ook niet onredelijk of onbillijk. De beslissing tot voorlopige maatregel werd voldoende gemotiveerd. De voorlopige maatregel werd niet genomen met het oog op de onmiddellijke bestraffing.

De klacht is ongegrond.

- De BVM

Tijdens klagers verblijf in de veiligheidscel bleef klager aanhoudend schreeuwen en schoppen tegen de deur. Hij heeft zich tot tweemaal toe getracht te verhangen en de wc laten verstoppen waardoor de hele gang onder water stond. Klager stelde zich erg dreigend op naar het personeel toe dat moest tussen komen.

Op basis van het (suïcidaal) gedrag van klager kon de directie naar het oordeel van de klachtencommissie wel degelijk de inschatting maken dat er sprake was van ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde en veiligheid. Het opleggen van een BVM ten aanzien van klager was dan ook gerechtvaardigd.

Voor de klachtencommissie is bovendien duidelijk dat de directie ten aanzien van klager niet gehandeld heeft met een repressief of bestraffend oogmerk. Klager werd ook gehoord alvorens de BVM werd opgelegd. De procedure werd nageleefd.

De klacht is ongegrond.