KC10/26-0174
Non fondée
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - ORDEMAATREGEL - BEZOEK - TUCHT - MOTIVERING
Klager dient klacht in tegen een fouillering op het lichaam. In het voorliggend dossier werd de bestreden beslissing preventief genomen en dit op basis van actuele informatie van een anonieme bron. De klachtencommissie vindt het dan op zich ook niet problematisch dat de beslissing enkele dagen voor de daadwerkelijke uitvoering werd genomen, waarbij de uitvoering werd bepaald op ‘bij het eerstvolgend bezoek’. De klachtencommissie meent niet dat hierdoor sprake is van een ‘blanco cheque’ nu het duidelijk om een éénmalige fouillering gaat na een concrete individuele aanwijzing. Aangezien de aanwijzing betrekking heeft op het binnenbrengen via bezoek is het logisch dat de beslissing pas kan worden uitgevoerd wanneer deze situatie, i.e. een bezoek, zich voordoet. Als individuele aanwijzing werd aangehaald dat er een anonieme tip kwam dat betrokkene drugs binnensmokkelt via zijn bezoek. De klachtencommissie acht deze individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In tegenstelling tot wat de advocaat aanvoert dient een fouillering aan het lichaam niet altijd voorafgegaan te worden door een fouillering aan de kledij. Er moet wél gemotiveerd worden waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van een verboden substantie te achterhalen. De directie deed dit in het voorliggend dossier door te verwijzen naar het gegeven dat er tijdens een bezoek mogelijkheid genoeg is om zaken te verstoppen op plaatsen die met een gewone fouillering aan de kledij niet kunnen worden gecontroleerd. Gelet op het feit dat het in klager zijn geval om een ongestoord bezoek ging, acht de klachtencommissie deze motivering redelijk en afdoende. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klachtencommissie meent dan ook niet dat de directie hierover iets had moeten opnemen in de motivering van de navolgende tuchtbeslissing. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een ordemaatregel van 3 maand glasbezoek. Volgens de klachtencommissie werd de ordemaatregel afdoende gemotiveerd en is ze niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Wat betreft het gebruik van het woord ‘smokkel’, meent de klachtencommissie dat dit gebruikt werd in de betekenis van ‘binnensmokkelen’ oftewel binnenbrengen van illegale goederen, hetgeen een objectieve beschrijving betreft van hetgeen werd vastgesteld. Hoewel de ordemaatregel werd genomen naar aanleiding van de feiten zoals beschreven in het RAD van 23 augustus 2026 oordeelt de klachtencommissie dat ze werd opgelegd ter bescherming van de orde en de veiligheid, en dus geen (oneigenlijke) tuchtsanctie uitmaakt. De klachtencommissie meent dan ook niet dat de directie hierover iets had moeten opnemen in de motivering van de navolgende tuchtbeslissing. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Klager erkende de feiten inzake de drugs en de beledigingen. Zoals de klachtencommissie onder titel 3.1. al concludeerde, was er bovendien geen probleem inzake de wettigheid van de beslissing tot fouillering aan het lichaam. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht beide kwalificaties correct. De klachtencommissie oordeelt echter dat enkel de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet afdoende gemotiveerd werd. Inzake de beledigingen wordt er niks opgenomen in de eigenlijke motivering. Volgens de klachtencommissie dient deze onnauwkeurigheid te leiden tot de schrapping van de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet. Klager kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie van 10 dagen ATV wettelijk en ook na de schrapping van de inbreuk van de tweede categorie, redelijk. Zoals de klachtencommissie onder titel 3.2. al concludeerde, maakte de ordemaatregel geen (oneigenlijke) tuchtsanctie uit, zodat er geen probleem rijst inzake het ne bis in idem beginsel. De klacht inzake de tuchtbeslissing is ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
- De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet.
- De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV.
Klager dient klacht in tegen een fouillering op het lichaam. In het voorliggend dossier werd de bestreden beslissing preventief genomen en dit op basis van actuele informatie van een anonieme bron. De klachtencommissie vindt het dan op zich ook niet problematisch dat de beslissing enkele dagen voor de daadwerkelijke uitvoering werd genomen, waarbij de uitvoering werd bepaald op ‘bij het eerstvolgend bezoek’. De klachtencommissie meent niet dat hierdoor sprake is van een ‘blanco cheque’ nu het duidelijk om een éénmalige fouillering gaat na een concrete individuele aanwijzing. Aangezien de aanwijzing betrekking heeft op het binnenbrengen via bezoek is het logisch dat de beslissing pas kan worden uitgevoerd wanneer deze situatie, i.e. een bezoek, zich voordoet. Als individuele aanwijzing werd aangehaald dat er een anonieme tip kwam dat betrokkene drugs binnensmokkelt via zijn bezoek. De klachtencommissie acht deze individuele aanwijzing voldoende geconcretiseerd. In tegenstelling tot wat de advocaat aanvoert dient een fouillering aan het lichaam niet altijd voorafgegaan te worden door een fouillering aan de kledij. Er moet wél gemotiveerd worden waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om het bezit van een verboden substantie te achterhalen. De directie deed dit in het voorliggend dossier door te verwijzen naar het gegeven dat er tijdens een bezoek mogelijkheid genoeg is om zaken te verstoppen op plaatsen die met een gewone fouillering aan de kledij niet kunnen worden gecontroleerd. Gelet op het feit dat het in klager zijn geval om een ongestoord bezoek ging, acht de klachtencommissie deze motivering redelijk en afdoende. De klachtencommissie besluit dat de motivering van de beslissing tot fouillering op het lichaam voldoet aan de vereisten van artikel 108 j° artikel 8 Basiswet. De klachtencommissie meent dan ook niet dat de directie hierover iets had moeten opnemen in de motivering van de navolgende tuchtbeslissing. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een ordemaatregel van 3 maand glasbezoek. Volgens de klachtencommissie werd de ordemaatregel afdoende gemotiveerd en is ze niet onwettig, onredelijk of onbillijk. Wat betreft het gebruik van het woord ‘smokkel’, meent de klachtencommissie dat dit gebruikt werd in de betekenis van ‘binnensmokkelen’ oftewel binnenbrengen van illegale goederen, hetgeen een objectieve beschrijving betreft van hetgeen werd vastgesteld. Hoewel de ordemaatregel werd genomen naar aanleiding van de feiten zoals beschreven in het RAD van 23 augustus 2026 oordeelt de klachtencommissie dat ze werd opgelegd ter bescherming van de orde en de veiligheid, en dus geen (oneigenlijke) tuchtsanctie uitmaakt. De klachtencommissie meent dan ook niet dat de directie hierover iets had moeten opnemen in de motivering van de navolgende tuchtbeslissing. De klacht is ongegrond.
Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Klager erkende de feiten inzake de drugs en de beledigingen. Zoals de klachtencommissie onder titel 3.1. al concludeerde, was er bovendien geen probleem inzake de wettigheid van de beslissing tot fouillering aan het lichaam. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht beide kwalificaties correct. De klachtencommissie oordeelt echter dat enkel de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet afdoende gemotiveerd werd. Inzake de beledigingen wordt er niks opgenomen in de eigenlijke motivering. Volgens de klachtencommissie dient deze onnauwkeurigheid te leiden tot de schrapping van de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet. Klager kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie van 10 dagen ATV wettelijk en ook na de schrapping van de inbreuk van de tweede categorie, redelijk. Zoals de klachtencommissie onder titel 3.2. al concludeerde, maakte de ordemaatregel geen (oneigenlijke) tuchtsanctie uit, zodat er geen probleem rijst inzake het ne bis in idem beginsel. De klacht inzake de tuchtbeslissing is ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
- De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet.
- De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 7° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 10 dagen ATV.