Ga verder naar de inhoud

KC10/26-0034

Fondée KC - Hasselt Commission des plaintes Disciplinaire
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING

De klacht op het eerste klachtenformulier is gericht tegen de tuchtbeslissing van 5 maart 2026. Klager stelde de klacht echter al op 2 maart 2026 op. De klacht moet worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen (artikel 150 §5 Basiswet). Gelet op deze bepaling kan de klachtencommissie de klacht niet beschouwen als zijnde correct ingediend tegen de tuchtbeslissing (die op het ogenblik van de indiening van de klacht nog niet genomen was). De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager diende nog een klacht in tegen de tuchtbeslissing van 5 maart 2026. Volgens de klachtencommissie brachten klager en zijn advocaat ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De klachtencommissie acht de motivering van de tuchtbeslissing echter gedeeltelijk gebrekkig.

Inzake het eerste RAD werden in het voorliggend dossier boven de tabel een aantal feiten hernomen: “Bij binnenkomen de wandeling alle groene lampjes van de cellen aangestoken. Verbale agressie naar chef.” Vervolgens wordt er in de motivering niet aangehaald wat klager en zijn advocaat hierover ter tuchtzitting aangevoerd hebben (in strijd met CB nr. 124). Ook wordt niet verduidelijk waarom deze feiten, ondanks de betwisting door klager, toch als bewezen worden beschouwd. De feiten worden vervolgens (vermoedelijk, want niet geëxpliciteerd in de uitgeschreven motivering, enkel aangekruist in de tabel) gekwalificeerd als de opzettelijke aantasting van de orde. Volgens de klachtencommissie voldoet de tuchtbeslissing voor wat betreft de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) niet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. Deze tuchtinbreuk dient geschrapt te worden.

Inzake het tweede RAD wordt expliciet verwezen naar de vaststelling omtrent de marihuana en hetgeen klager hierover ter tuchtzitting gezegd heeft. Volgens de klachtencommissie voldoet de tuchtbeslissing voor wat betreft het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) wel aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. Deze tuchtinbreuk kan overeind blijven.

Tot slot wordt ook de inbreuk van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) aangekruist. In de motivering wordt hier helemaal niet op ingegaan. De klachtencommissie meent dat dit terug zou kunnen slaan op de gemanipuleerde kabel uit het tweede RAD. Het is in elk geval niet de bedoeling dat een tuchtbeslissing pas begrepen kan worden door ze samen te lezen met de RAD’s die ten aanzien van klager werden opgesteld. De directie dient in het geval van de kwalificatie van het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) bovendien ook expliciet te verwijzen naar de concrete regel uit het huishoudelijk reglement die door de gedetineerde overtreden werd. Volgens de klachtencommissie voldoet de tuchtbeslissing voor wat betreft het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet) dan ook niet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. Deze tuchtinbreuk dient eveneens geschrapt te worden.

Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg 15 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie ook na schrapping van de twee tuchtinbreuken (en dus enkel voor de inbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet)) wettelijk en redelijk. De tuchtbeslissing kan ondanks de schrapping van de twee tuchtinbreuken dan ook overeind blijven voor wat betreft de opgelegde en reeds ondergane tuchtsanctie van 15 dagen ATV.

De klacht is gedeeltelijk gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd (artikel 158, §3, 3° Basiswet) voor wat betreft de inbreuken van de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De bestreden tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) en de sanctie van 15 dagen ATV.