KC10/26-0021
Fondée
KC - Hasselt
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - MOTIVERING
In de beslissing tot verlenging van de BVM herneemt de directie al de elementen die aanleiding gaven tot de oorspronkelijke BVM en voegt hieraan toe dat er geen zichtbare verbetering werd vastgesteld in klager zijn gedrag. De klachtencommissie stelt vast dat de directie in haar beslissing aldus concrete elementen aanhaalde waaruit blijkt dat een verlenging van de BVM aangewezen is.
De klachtencommissie stelt op basis van de dossierstukken echter vast dat de BVM van de onderbrenging in de beveiligde cel de facto niet verdergezet werd, maar alvast op schrift werd gesteld om deze alvast achter de hand te hebben voor het geval het gedrag van klager hier opnieuw aanleiding toe zou geven. Bij het horen van klager ter gelegenheid van de verlenging stelde de directeur immers dat klager terug naar een gewone cel mocht, maar dat hij terug naar de veiligheidscel zou moeten gaan als hij moeilijk zou beginnen doen.
Aangezien de directie van oordeel was dat klager de facto wél terug naar een gewone cel kon gaan, meent de klachtencommissie dat het deel van de motivering van de verlenging waarin gesteld wordt dat “er geen zichtbare verbetering werd vastgesteld in zijn gedrag” niet strookt met de werkelijkheid en alvast een voorafname was op een situatie die zich eventueel zou kunnen voordoen. De motivering van de verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet dan ook niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel onwettig.
Om deze reden is de klacht gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niets over aangaf op zijn klachtenformulier.
In de beslissing tot verlenging van de BVM herneemt de directie al de elementen die aanleiding gaven tot de oorspronkelijke BVM en voegt hieraan toe dat er geen zichtbare verbetering werd vastgesteld in klager zijn gedrag. De klachtencommissie stelt vast dat de directie in haar beslissing aldus concrete elementen aanhaalde waaruit blijkt dat een verlenging van de BVM aangewezen is.
De klachtencommissie stelt op basis van de dossierstukken echter vast dat de BVM van de onderbrenging in de beveiligde cel de facto niet verdergezet werd, maar alvast op schrift werd gesteld om deze alvast achter de hand te hebben voor het geval het gedrag van klager hier opnieuw aanleiding toe zou geven. Bij het horen van klager ter gelegenheid van de verlenging stelde de directeur immers dat klager terug naar een gewone cel mocht, maar dat hij terug naar de veiligheidscel zou moeten gaan als hij moeilijk zou beginnen doen.
Aangezien de directie van oordeel was dat klager de facto wél terug naar een gewone cel kon gaan, meent de klachtencommissie dat het deel van de motivering van de verlenging waarin gesteld wordt dat “er geen zichtbare verbetering werd vastgesteld in zijn gedrag” niet strookt met de werkelijkheid en alvast een voorafname was op een situatie die zich eventueel zou kunnen voordoen. De motivering van de verlenging van de bijzondere veiligheidsmaatregel voldoet dan ook niet aan de vereisten van artikel 8 j° artikel 110 Basiswet. De klachtencommissie acht de bijzondere veiligheidsmaatregel onwettig.
Om deze reden is de klacht gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niets over aangaf op zijn klachtenformulier.
Un dossier d'appel a été ouvert avec la référence BC/26-0230